Posts tonen met het label hart. Alle posts tonen
Posts tonen met het label hart. Alle posts tonen

zondag 28 juli 2013

Week 31 - Besef van nood

'Maar u, wanneer u bidt, ga in uw binnenkamer, sluit uw deur en bid tot uw Vader, Die in het verborgene is; en uw Vader, Die in het verborgene ziet, zal het u in het openbaar vergelden.'
HSV

'Maar wanneer u bidt, ga dan uw kamer in, doe de deur achter u dicht en bid dan tot uw Vader, die verborgen is.
En uw Vader, die ziet wat verborgen is, zal u belonen.'
GNB

Mattheüs 6:6


Besef van nood en de overtuiging hebben dat God liever een eerlijk smeken aanhoort om wat we niet hebben dan dat Hij luistert naar vele vrome gebeden uit een ongelovig hart, zijn de ingrediënten voor deze keer.
Even kon ik de titel niet plaatsen bij wat er op het kalendertje staat en de tekst, maar ik denk dat het erbij gezet is, bekeken vanuit God.
Zijn besef van onze nood, en dan valt alles op zijn plek.

Met het lezen van de Bijbeltekst die erbij gegeven is, gingen mijn gedachten automatisch naar het verhaal van de Farizeeër en de tollenaar in Lucas 18.
Een gelijkenis die de Here Jezus vertelde ‘met het oog op mensen die overtuigd zijn van hun eigen rechtvaardigheid en neerzien op alle anderen.’ (vers 9)
Ik zie het tafereel voor me …

Twee mannen gaan de tempel binnen.
Een voorname Bijbelleraar, een Farizeeër, en een bedrieger, een tollenaar.
Eén loopt helemaal door naar voren, zover hij mag komen, en de ander blijft, een beetje in het donker, achterin staan.
Eenmaal voorin gekomen begint de man te bidden.
Fier rechtop met opgeheven handen en een welluidende stem.
Als je in de tempel aanwezig ben, kun je zijn gebed niet missen.
‘O, God ik dank U,’ begint hij, en hij vervolgt: ‘Dank u dat ik niet zo ben als …, of zoals die tollenaar daar …

Als ik mijn blik verleg naar de man achterin, die daar maar een beetje in het donker staat, moet ik wel heel dichtbij komen wil ik iets horen van wat hij zegt.
Zijn houding is zo anders dan van die man voorin.
Hij staat wat voorover gebogen, alsof hij een zware last op zijn schouders draagt.
Ik zie hem zichzelf op de borst slaan, terwijl zijn mond beweegt.
Zijn stem is gebroken en tranen glinsteren in zijn ogen.
‘O, God,’ klinkt het, ik ben een zondaar; wees mij genadig!

Twee mannen, twee gebeden.
Niemand kon om de eerste man heen, maar wilde je iets meekrijgen van het gebed van de ander, dan moest je dichterbij komen; een beetje zoeken als het ware en je inspannen om te kunnen horen wat hij zei.

Sommige mensen kunnen prachtig bidden.
Ze zijn welbespraakt, hebben charisma, een grote woordenschat en flair.
Met het grootste gemak bidden ze als erom gevraagd wordt of als daar ruimte voor is.
Anderen durven niet (of niet goed).
Ze voelen zich geïntimideerd door de gebeden van anderen, die het in hun ogen veel beter kunnen.
Ze voelen zich onzeker, (bijna) minderwaardig.
Ze kunnen niet zo vloeiend bidden; het gaat vaak hakkelend, ze moeten vaak zoeken naar woorden.
En vaak verontschuldigen ze zich vervolgens ook nog: sorry, maar ik kan niet zo mooi bidden als …

Dit zijn natuurlijk twee uitersten, er zit ook nog van alles tussen, maar daar gaat het nu even niet om.
De Here Jezus gebruikt in Zijn gelijkenis ook twee uitersten om iets duidelijk te maken.
En het is ook niet zo bedoelt, dat Hij met deze gelijkenis iedereen over één kam wil scheren.
Er ligt een diepe boodschap in Zijn verhaal verborgen.

Mijn gedachten gaan naar Samuël, naar het moment dat hij één van de zonen van Isaï moet zalven tot nieuwe koning van Israël.
Bij het zien van de eerste zoon dacht Samuël dat hij wel degene zou zijn die tot koning gezalfd moest worden, maar de HEER berispt Samuël (en daarmee ons ook) eigenlijk als het ware.
‘Kijk niet naar zijn uiterlijk en ook niet naar de hoogte van zijn gestalte, want Ik heb hem verworpen. Het is namelijk niet wat de mens ziet, want de mens ziet aan wat voor ogen is, maar de HEERE ziet het hart aan.’
(1 Samuël 16:7)

En hier komen we bij de kern van Jezus boodschap, het hart.
Het gaat niet om hoe mooi, of hoe lang, of welke woorden, of welke houding.
Het gaat om het hart, om uit welke harstgesteldheid het gebed gebeden wordt.
Een gebed kan nog zo mooi klinken, de juiste toon, prachtige woorden, een bijzondere houding …
Het is waardeloos als het niet voortkomt uit een oprecht hart.
De drie, misschien hakkelend, woorden ‘HEER, dank U’ van iemand, die eigenlijk niet durft te bidden, maar God toch (ook) zo graag  wil danken, zijn van grotere waarde, dan elk ander prachtig, bijna poëtisch uitgesproken gebed van wie dan ook, maar waarvan het hart vol is van zichzelf, zijn eigen stem, zijn eigen kunnen.

In het verhaal van de Here Jezus ging de één gerechtvaardigd, vrij van schuld, naar huis, dit in tegenstelling tot de ander.
God ziet het hart aan, niet het uiterlijk vertoon!

Dat is ook waar de bovenstaande tekst op doelt, niet dat wij niet in het openbaar (gezamenlijk) zouden mogen/moeten bidden; samen bidden is heel belangrijk.
Maar niet als we het doen om onszelf te horen of om te laten zien hoe goed wij wel niet zijn, of iets dergelijks.

Prediker zegt: ‘Er is voor alles een tijd en een plaats.’
(Prediker 3:1)
Zo is er ook een tijd van samen bidden, maar ook een tijd om, zoals de bovenstaande tekst zegt, je binnenkamer in te gaan en alleen te zijn met God.
En daar, in die beslotenheid van het samen zijn met God kunnen, en mogen, we Hem alles vertellen wat in ons hart leeft.
Hoe raar, hoe stom, hoe vaak, hoe klagend, hoe verdrietig, hoe boos, hoe smekend, hoe …, het in onze eigen ogen ook is.
Ik geloof, dat we werkelijk met alles bij Hem mogen komen.
Ik geloof, dat Hij ons dan niet alleen hoort, maar ook naar ons luistert.
Ik geloof, dat Hij ons nooit weg zal sturen omdat we voor de zoveelste keer met hetzelfde aankomen.
Ik geloof, dat Hij ons steeds opnieuw in liefde zal aanhoren.
Ik geloof ook, dat Hij dat liever hoort dan de mooiste gebeden uitgesproken vanuit een onoprecht, ongelovig hart; als ons hart maar oprecht is, zoals dat van de tollenaar.

Dit wil niet zeggen dat God dan ook alles verhoort; ons geeft of doet waar we om vragen.
Niet echt.
Maar we mogen met vrijmoedigheid naderen tot Zijn troon van genade, wordt gezegd in Zijn woord (Hebreeën 4:16), en dat is waar het om gaat.
Komen bij Hem, naar Hem toegaan.
Samen, of alleen, steeds weer.
Al is het met iedere keer dezelfde noodkreet, God kent onze nood, Hij heeft besef van onze nood.
Hij begrijpt ons als we, al is het met steeds hetzelfde, bij Hem komen.
Zolang onze gebeden maar uit een oprecht hart komen.
Een hart dat Hem zoekt, het van Hem verwacht, weet dat alleen Hij het antwoord is.

Psalm 139 spreekt over hoe goed God ons kent, om precies te zijn door en door.
Hij weet al wat we willen zeggen nog voor we het zelfs maar hebben uitgesproken.
Hij weet wat er in ons hart leeft, wat er rondgaat in onze gedachten; niets is voor Hem verborgen.
Dus kom, laten we niet schromen om ons uit te spreken.
Hij vindt ons niet lastig of vervelend.
Hij heeft ons lief en verlangt ernaar dat wij ons hart met Hem delen.


Lieve Vader in de hemel.
Dank U wel, dat wij bij U mogen komen; dat U er naar verlangt dat wij ons hart met U delen, dat U zo graag tijd met ons doorbrengt.
Dank U wel, dat het voor U niet belangrijk is wie we zijn of hoe we eruit zien; of we rijk zijn of arm, welbespraakt of stotteren.
Dank U wel, dat we mogen komen, gewoon zoals we zijn.
Bij U is maar één ding belangrijk: een oprecht hart.

Onderzoek mijn hart, Vader, en laat mij zien of er ook maar iets van onoprechtheid in is.
Laat mij openstaan voor Uw antwoord, Uw leiding, Uw correctie, eventueel Uw zwijgen.
Laat het mij niet weerhouden om U alles te vertellen wat er in mijn hart leeft, maar leer mij om in alles te zeggen: ‘Uw wil geschiede.’

U houdt van mij, meer dan ooit iemand ooit zal kunnen, dat mag ik weten, aannemen, vanuit leven.
Uw antwoord op mijn gebeden, mijn smeken, mijn klagen of mijn vragen, zullen altijd zijn vanuit wat past in Uw plan en wat (uiteindelijk) voor Uw koninkrijk of voor mij het beste is.

Ik kom zo bij U, Vader, in de beslotenheid van mijn kamertje ( ….. ), in de stilte van dit moment en bid U …

In Jezus’ Naam.

- Amen -


Bij Mij mag je komen,
gewoon zoals je bent.
Je hoeft niet eerst
iets voor te bereiden,
je mooi aan te kleden,
of ergens heen te rijden.
Kom, kom maar bij Mij,
gewoon zoals je bent!

Ik verlang niet naar mooie
en welluidende woorden.
Ik let niet op vloeiende
of hakkelende gebeden.
Of dacht je dat Ik daar meer
aandacht aan zou besteden?
Nee, Ik verlang alleen naar
oprecht uitgesproken woorden.

Kom, kom maar bij Mij,
gewoon zoals je bent.
Leg je hart bloot voor Mij,
vertel Mij alles wat je bezighoudt.
Ik heb je lief, verlang naar jou.
Niets wat jou betreft, laat Mij koud.
Kom, wees eerlijk en oprecht,
en gewoon, zoals je bent.


Gods rijke zegen 
en een liefdevolle groet,
Rita

zondag 2 juni 2013

Week 23 - Levend geloof

'Kom nu, laten wij samen een rechtszaak voeren, zegt de HEERE.
Al waren uw zonden als scharlaken, ze zullen wit worden als sneeuw;
al waren ze rood als karmozijn, ze zullen worden als witte wol.'
HSV

'Laten wij zien wie gelijk heeft.
Jullie zonden zijn rood als karmijn, paars als purper;
toch kunnen ze blank worden als sneeuw, wit als wol.'
GNB

Jesaja 1:18


Levend geloof; geloof dat leeft.
Niet alleen zeggen dat je gelooft, maar laten zien in je houding, gedrag, in je manier van leven, in wat je wel en niet doet, wel en niet zegt.
Hem dat laten toepassen in je leven, staat er op het kalendertje.

Ik las Jesaja 1 eerst maar eens in zijn geheel en proef hoe ontzettend belangrijk gehoorzaamheid voor God is.
Maar dan ook gehoorzaamheid aan God in alles en niet alleen in bepaalde dingen of op bepaalde gebieden.
In dit hoofdstuk klaagt God Zijn volk aan.
Ze brengen de voorgeschreven offers, ze lopen de tempel plat om Hem te vereren, ze houden de voorgeschreven feesten en samenkomsten, maar God walgt ervan, staat er.
Hij verafschuwt ze.
Hij kan ze niet langer verdragen.
Hij heeft het volk grootgebracht en opgevoed, maar ze zijn tegen Hem in opstand gekomen.

God zegt over Zijn volk in vers 3: Een rund kent zijn bezitter en een ezel de kribbe van zijn eigenaar, maar Israël heeft geen kennis, Mijn volk heeft geen inzicht.
Oftewel, Israël is nog dommer dan de rund en de ezel.
Zij kennen tenminste nog de hand die hen voed en die voor hen zorgt.
Maar het volk Israël heeft Hem de rug toegekeerd, heeft Hem verlaten.
Hem verworpen, zich van Hem vervreemd …
En ze blijven zich verzetten.
Het is zelfs zo erg, dat God Zijn ogen gesloten houdt als zij hun handen smekend omhoog heffen, dat Hij niet luistert, hoelang ze ook bidden.
Hun onrecht, hun zonden, hun wandaden staan als een onoverbrugbare kloof tussen hen en God in.

Was je, reinig je, keer je af van … roept God Zijn volk toe.
Jullie handen zitten vol bloed.
Houdt op met kwaad doen en leer goed te doen, help …

laten we zien wie er gelijk heeft.
Laten we een rechtszaak aanspannen.
Jullie en Ik …
En in één adem er achteraan: ‘Al waren uw zonden als scharlaken, ze zullen wit worden als sneeuw; al waren ze rood als karmozijn, ze zullen worden als witte wol.’

Luister; wees gewillig en bereid om te luisteren.
Wees gehoorzaam, dan …
Maar als je ongehoorzaam bent, dan …
De woorden van Jesaja gelden ook voor ons, zijn ook Gods waarschuwing aan ons.
Zonden.
Vergeving.
Gehoorzaamheid.

Ik kijk en zoek verder.
Levend geloof.
Geloof …

Mijn oog wordt getrokken door een tekst uit Lucas 5.
Vers 1 - Bij het zien van hun geloof zei Hij tegen de man: ‘Uw zonden zijn u vergeven.’
Het verhaal van de verlamde man die door zijn vrienden naar Jezus wordt gebracht om genezing te kunnen ontvangen.
Het huis waar Jezus was, was echter zo vol dat ze niet naar binnen konden.
Maar ze gaven niet op.
Ze gingen naar het dak toe, maakten er een gat in en lieten hun vriend met bed en al door dit gat naar beneden zakken vlak voor Jezus.
Dan staat er in Lucas 5:20: Bij het zien van hun geloof zei Hij (Jezus) tegen de man: ‘Uw zonden zijn u vergeven.’
De farizeeërs en schriftgeleerden vallen hier natuurlijk geweldig over, wie denkt Hij wel niet dat Hij, Jezus, is.
Wat een godslastering.
Maar Jezus kent hun gedachten en gaat daarop in door te laten zien dat Hij zowel de macht heeft om zonden te vergeven, als om te genezen.
Hij zegt daarom tegen de verlamde man dat hij op moet staan, zijn bed op moet pakken en naar huis moet gaan.
En de man staat op, pakt zijn bed en gaat, God lovend en prijzend, naar huis.

Levend geloof.
Zonden.
Vergeving.
Gehoorzaamheid.

Levend geloof!
De vrienden hadden geloof dat Jezus hun vriend kon genezen, maar als ze het daarbij hadden gelaten, zou hun vriend waarschijnlijk nooit genezen zijn.
Nee, ze geloofden dat Jezus het kon en daarom kwamen ze in actie en pakten hun vriend met bed en al op om hem naar Jezus toe te brengen.
Ze lieten zich ook niet tegenhouden door een dichte muur van mensen, maar waren vindingrijk en gingen naar het dak waar zij een gat in maakten om zo toch hun vriend maar bij Jezus te kunnen brengen.
Het gat dat zij moesten maken was niet een klein gaatje, want ze lieten hun vriend immers met bed en al naar beneden zakken, dus het gat waarover gesproken wordt is een behoorlijk groot gat en heeft hun heel wat gekost om te maken.

Levend geloof.
Praktisch.
Vindingrijk.
’t Mag wat kosten.
Liefde.
Bewogenheid.
Geloof: Hij kan het!
Gehoorzaamheid: Doen en gaan.

En dan: ‘Uw zonden zijn u vergeven!’
De ziel is voor Jezus belangrijker dan het lichaam.
Dat de ziel gered wordt, staat boven weer kunnen lopen.
Rein voor God kunnen verschijnen is van grotere waarde (= de grootste waarde) dan een lichaam dat gezond is en alles kan.
Misschien waren het zijn zonden wel die tussen hem en God instonden, dat weet ik niet.
Dit is immers niet altijd het geval, dat laat een ander voorbeeld uit de Bijbel ons wel zien.
Zie: Johannes 9:3
Maar Jezus zag het geloof (het levende geloof, want ze zetten hun geloof om in daden) van deze mannen en zei: Je zonden zijn je vergeven en daarna ontving de man ook genezing.
Doch de genezing werd pas zichtbaar en tastbaar, toen de man zelf ook opstond,zijn matras oppakte en ging.

Levend geloof.
Vergeving van zonden.
Geloof: horen.
Gehoorzaamheid: doen en gaan.

Mijn gedachten gaan zo van het één naar het ander.
Soms wordt het één geheel, één verhaal, nu gaan mijn gedachten van het één naar het ander.
Soms is dat ook goed, om zo uiteindelijk te kunnen komen waar God mij (ons) hebben wil, namelijk aan Zijn hart, bij Zijn wil.

God houdt van mij met heel Zijn  hart, vertelt het kalendertje mij.
Hij heeft van Zijn kant uit alles gedaan om mij te bevrijden.
Het leven van Zijn Zoon, onze Here Jezus, getuigt daarvan.
En dan Hem de ruimte geven dat te laten toepassen in mijn (ons) leven.

‘Kom nu, laten wij samen een rechtszaak voeren, zegt de HEERE.’


Lieve Vader in de hemel.
Als er zonde in mijn leven is, zonde, die tussen U en mij in staat, laat mij dit dan zien.
Open mijn ogen daarvoor.
Soms ben ik mij er namelijk niet eens van bewust.
Verborgen zonden, noemt David ze, Vader.
Laat mij het zien, Vader, zoals U Uw volk in dit hoofdstuk van Jesaja hun zonden voorhield; al hun ongerechtigheden.
Dan kan en zal ik belijden.

‘Al waren uw zonden als scharlaken, ze zullen wit worden als sneeuw;
al waren ze rood als karmozijn, ze zullen worden als witte wol.’

HEER, ik wil luisteren naar wat U hebt te zeggen, ik wil niet koppig zijn.
Doe mij Uw stem horen, doe mij Uw stem verstaan.
Vergeef mij en help mij mij af te keren van wat U mij laat zien.
Vergeef mij, en mijn hart zal weer wit zijn als sneeuw, als witte wol.
Laat mijn geloof, Vader, zijn een levend geloof, dat zich afkeert  van zonde, vergeving ontvangt en in gehoorzaamheid de weg van Uw wil gaat.
Wandelend door de Geest aan Uw hand.
Groeiend, bloeiend, vruchtdragend.
Tot eer en glorie van Uw Naam.

- Amen -


Levend geloof.
Geloof dat zonden belijdt.

Levend geloof.
Leven in gehoorzaamheid.

Levend geloof.
Geloof in woord en daad.

Levend geloof.
Leven dat hoort, en gaat.

Levend geloof.
Geloof dat leeft.

Levend geloof.
Leven dat vruchten geeft.

Levend geloof.
Stapt uit en waagt.

Levend geloof.
Leven dat Hem behaagt.


Gods rijke zegen
en een liefdevolle groet,
Rita

zondag 27 januari 2013

Week 5 - Je hart uitstorten

Ik echter zal mijn mond niet houden.
Ik zal spreken in de benauwdheid van mijn geest.
Ik zal klagen in de bitterheid van mijn ziel.
HSV

Ik moet me uitspreken,
mijn hart luchten, mijn bittere nood klagen.
GNB

Job 7:11

O God, mijn God,
tot U moet ik spreken,
mijn hart luchten,
uitstorten wat mijn hart
zo bezwaard.
Niets wil ik achterhouden,
niets voor U verbergen.
U toelaten in deze diepste diepten
is mij alles waard.

Ik kan niet meer verder,
mijn denken is vertroebeld,
mijn lichaam laat het afweten,
mijn ziel, kil, leeg en verdord.
Ik kan niet verder leven,
niet verder voortbestaan,
U niet meer loven en prijzen,
tenzij ik bij U mijn hart uitstort.

De woorden echter ontbreken mij,
spreken kan ik zelfs niet meer,
geen woord komt meer over mijn lippen;
mijn mond is door alles verstomd.
Hoor, o Heer, mijn God,
hoor wat ten diepste in mij leeft,
door mijn zuchten en kreunen heen,
tot U in Uw woning komt.

Bij U, en U alleen,
stort ik mijn hart uit.
Alles leg ik voor U neer;
biddend, smekend, onder tranen.
In alle wanhoop,
vanuit het diepst van mijn ziel.
Alleen U, o Heer, mijn God,
kunt de weg naar bevrijding banen.

Zo hartstochtelijk je hart uitstorten bij God, ken je dat?
In alle wanhoop, met alle emoties die daarbij horen, die daar gewoon vanzelf bij komen.
Jezelf laten gaan zonder je te schamen voor je tranen, je wanhoop, je onzekerheid, je onmacht …
Jezelf gewoon laten gaan omdat je weet, dat je je in niets tegen hoeft te houden, simpelweg omdat Degene tegen wie je spreekt je beter kent dan wie dan ook en bij wie je je ook veilig weet om dit ook te kunnen doen.

Als ik zo de bovenstaande woorden van Job lees, dan voelt het ook aan alsof hij spreken moet, omdat, als hij het niet doet, hij erin stikt, er aan ten onder gaat.

Op zich niet zo verwonderlijk, als we kijken naar alles wat hem is overkomen.
Alles is hij kwijtgeraakt, zijn kinderen, zijn bezittingen, zelfs zijn gezondheid.
En alsof dat nog allemaal niet genoeg is, krijgt hij ook nog eens zijn vrienden over zich heen met allemaal ‘mooie’ woorden en terechtwijzingen; beschuldigingen, dat hij toch wel iets fout moet hebben gedaan, want anders zou God toch niet …
En ook zijn vrouw laat zich niet onbetuigd, zij spoort hem zelfs aan om ‘die God van hem’ maar aan de kant te zetten.

Job had dit kunnen doen, maar hij kiest ervoor om zijn hart uit te storten.
Hij gooit alles eruit wat hem dwarszit.
Alles wat in hem leeft, wat hij voelt, wat hij denkt, alles gooit hij eruit.
Hij maakt van zijn hart geen moordkuil en vervloekt zelfs de dag waarop hij geboren werd. (Job 3:3-10)

Was ik maar gestorven toen ik ter wereld kwam …
Of was ik maar in de grond gestopt als een misgeboorte …
Waarom schenkt God het levenslicht aan ongelukkige mensen …
Waarom leeft een mens als er geen uitzicht is …

Ik heb geen ander voedsel dan mijn verdriet,
geen andere drank dan mijn tranen.
Ik heb rust noch duur,
ik word gekweld door talloze vragen.
(Job 3:11a,16a,20a,23a, 25,26)

Job is niet de enige die bij God zijn hart uitstort.
Ik moet ook denken aan Hanna in de tempel. (1 Samuël 1:10-16)
Eli dacht zelfs dat zij dronken was.
Het raakt mij telkens weer: ‘U vergist u, mijn heer,’ antwoordde Hanna, ik heb niet gedronken. Ik ga gebukt onder een zware last en heb mijn hart uitgestort voor de Heer. Denk niet dat ik een slechte vrouw ben. Ik heb zolang gesproken, omdat ik overstelpt ben door zorg en verdriet.’

Ik ga gebukt onder een zware last; ik ben overstelpt door zorg en verdriet.
Herken je deze woorden?
Herken je deze gevoelens?
Doe als Hanna en stort je hart, net als zij, uit bij de Heer!

Ook David is iemand die regelmatig zijn hart uitstort bij God.
O, wat houd ik van de Psalmen!
Wat houd ik van de herkenning die ik daar vind, waardoor ik weet dat Hem niets vreemd en onbekend is.
Dat ik echt met alles bij Hem kan komen, want Hij begrijpt het allemaal!

En weet je, soms hebben we zelf geen woorden om te spreken, dan kunnen we zo dicht zitten van emoties, dat ons de woorden ontbreken om het uit te schreeuwen naar God.
En dan zijn daar de Psalmen van David (en anderen), die werkelijk elke emotie en omstandigheid wel weergeven en waarvan we de woorden dan kunnen gebruiken om  naar God toe uit te spreken.

‘Heer, heb medelijden met mij, want ik zit in nood.
Mijn ogen staan dof van verdriet, mijn ziel lijdt pijn, mijn lichaam lijdt pijn.
Zorgen putten mij uit, ik ben moe van het zuchten.
Mijn krachten begeven het, mijn gestel is ondermijnd.’
Psalm 31:10,11

‘Heer, luister naar mijn gebed, hoor toch mijn roepen om hulp.
Wend U niet van mij af nu ik in nood verkeer, schenk mij toch aandacht nu ik U roep; antwoord mij vlug.
Want mijn leven vervliegt als rook, in mijn botten gloeit een vuur.
Ik lijk op dor en droog gras, ik vergeet zelfs te eten.
Ik ben vel over been, ik kan alleen maar kreunen.
Ik ben als een kraai in de steppe,
als een uil in een ruïne.
Ik lig wakker, ik ben alleen, een eenzame vogel op het dak …’
Psalm 102:2-8

Zoals een hert schreeuwt naar de waterstromen,
zo schreeuwt mijn ziel tot U, o God!

Mijn ziel is bedrukt, Heer,
daarom denk ik aan U,
hier, ver weg van Uw tempel,
in het Hermongebergte,
bij de berg Misar,
hier, aan de bronnen van de Jordaan.
Om mij heen kolkt het water,
oorverdovend stort het neer
en roept nieuwe kolken op.
U overspoelt mij, Heer,
het water slaat over mij heen!

Ik zal tegen Hem zeggen:
‘U bent mijn toevlucht.
Waarom bent U mij vergeten,
waarom ben ik in rouw gedompeld,
door mijn vijanden gekweld?’
Psalm 42:2,7,8,10

Zomaar even een paar voorbeelden uit de Psalmen voor als je zelf geen woorden meer hebt, of misschien als bemoediging vanwege de herkenning die je in Gods woord vindt en  dat je dus niet de enige bent.
En zo spreekt de één zich uit, gaan de woorden van een ander in stilte naar omhoog en schreeuwt de Psalmdichter van Psalm 42 het uit.
Voor God maakt het niet uit; hardop of heel zacht, of in de stilte van je hart of uitschreeuwen.
Al waar Hij naar verlangt is naar wat in jouw hart leeft.

O, er zijn nog zoveel meer voorbeelden vanuit de Psalmen te noemen.
Soms zeggen de Psalmisten meer, dan ik zelfs maar durf te denken, laat staan uit te spreken.
Maar ze zijn ook eerlijk en oprecht als het gaat om de eigen tekortkomingen en zonden van de psalmdichters, ook daarin zijn ze een voorbeeld.
Psalm 73 is ook zo’n mooie Psalm waarin het hart wordt blootgelegd voor God.
Of Psalm 55, of 56, of 38, of …

Ach, waarom zouden we niet ons hart uitstorten bij God?
Waarom zouden we het onszelf zo moeilijk maken door alles op te kroppen en het risico te lopen erin te stikken?
Waarom zou je je nood niet klagen bij de God die jou heeft gemaakt en je daardoor zo door en door kent, nog beter dan jij jezelf?!
Waarom zou je het risico lopen ziek te worden van alle opgekropte emoties en gevoelens, van alles wat je zo dwarszit en bezighoudt, als er Iemand is die op je wacht om die last van je over te nemen?
Waarom?

Jobs klagen was misschien wel ondoordacht, zoals we verderop lezen, maar als God hem terechtwijst, heeft Job berouw van zijn ondoordachte woorden en belijdt hij zijn lichtvaardig spreken en God vergeeft hem.

Natuurlijk is het belangrijk hoe we naar God toegaan, hoe we ons hart voor Hem uitstorten, wat we zeggen en hoe.
We mogen dat nooit uit het oog verliezen, maar laat je angst om op een verkeerde manier je hart uit te storten bij God of misschien de verkeerde woorden te gebruiken, je nooit weerhouden om het te doen.
Job sprak vanuit zijn geteisterde hart, dat bol stond van allerlei emoties, mede door wat zijn vrienden ook nog eens zeiden.
Ik denk dat God het ook wel begrijpt.
Nee, Hij zal het nooit goedkeuren, en soms zullen we de gevolgen misschien van ons lichtvaardig spreken moeten dragen, maar als wij onze zonden belijden dan is Hij zo getrouw om ze ons te vergeven.

Al je zorgen, al je verdriet, al je pijn en je moeiten, al je vragen, al je problemen, al je …
Zolang je ze opkropt en bij je houdt, zijn ze als een last die je met je meedraagt, iedere dag opnieuw, tot dat je het uitstort bij Hem.
Betekent het dan dat daarna alles weg is en over en voorbij?
Nee, niet altijd.
Misschien wel vaker niet, dan wel.
Maar er gebeurt wel iets anders, je hoeft het niet meer alleen te dragen, je hoeft er niet meer alleen door heen te gaan.
Je hebt Hem erbij betrokken , deelgenoot gemaakt van wat in jou leeft.
Hij helpt jou dragen!

Vers 23 van Psalm 55 zegt: De last op je schouders, draag hem over aan de Heer, Hij zal voor je zorgen; wie Hem trouw is, laat Hij niet bezwijken, nooit.

Maak Hem deelgenoot, stort je hart uit bij Hem en je zult niet bezwijken; nooit! zegt Zijn woord.

Hoeveel beter zou het niet zijn voor ons als we dagelijks ons hart zouden uitstorten bij Hem?
Mensen worden ons vroeg of laat zat, ja, dat is waar; daar kun je vaak maar een paar keer je nood klagen, maar bij God kunnen we elke dag, en op elk moment terecht en ons hart uitstorten, onze last neerleggen.

Misschien mis je dan soms die arm om je schouders; wij mensen hebben die soms zo hard nodig.
Maar weet dan, dat Hij, bij wie je je hart uitstort, ook bij machte is om iemand te sturen die even letterlijk zijn/haar arm om je heen legt.
Iemand, die als het ware even Zijn armen is.

Maar God, Die de nederigen troost, heeft ons getroost door de komst van Titus.
2 Korinthe 7:6

Stort je hart maar uit, loop er niet langer meer mee rond.
Laat Hem delen in wat er in het diepst van je binnenste leeft; deel je hart met Hem, zodat Zijn vrede jouw hart kan vullen te midden van welke omstandigheid dan ook.
Deel, geef je last aan Hem, Hij zal je niet laten bezwijken.
Nooit!





Lieve Vader in de hemel.
Wat verlangt U ernaar dat wij ons hart zullen delen met U.
Dat we alles met U delen, onze vreugde en onze blijdschap, maar ook ons verdriet, onze zorgen en moeiten, onze diepste pijn.
U ziet ons, U hoort ons en U wacht op ons, dat we U vragen om in al deze dingen te komen.
O Heer, vergeef ons dat we het zo graag allemaal zelf willen doen.
Vergeef ons, dat we soms zo voorttobben en onze lasten meesjouwen in plaats van ze met U te delen en bij U te brengen.
Vergeef mij, Vader, als het oneerbiedig is, maar ik kan me zo voorstellen dat U regelmatig naar mij (naar ons) kijkt en Uw hoofd schudt van, dom, dom kind van Mij; kom toch bij Mij, laat Mij je helpen.
Heer,  vaak weten we wel dat we U alles mogen zeggen, maar doen het niet; leer het ons Vader, opdat we zo ook een diepere relatie met U zullen krijgen.
Dank u wel, dat we mogen komen, in alle vrijmoedigheid, dankzij de Here Jezus.
Dank U wel, dat er niets is waarmee we U voor verrassingen zetten.
Dank U wel, dat U van ons houdt en dat U daarom ook bemoeienis met ons leven wilt hebben.
Uw liefde en bewogenheid houden nooit op.
Ik bid U zo, Vader, voor een ieder die dreigt te ‘stikken’ in haar(zijn) verdriet.
Waar het water aan de lippen is komen te staan.
O, Vader, beweeg hun hart zo, dat zij het uit zullen storten bij U, waar ze vrede zullen vinden en genezing, waardoor ze niet zullen bezwijken, nooit! zegt Uw woord!
Ontferm U, vader, ontferm U.
U ziet hen, Vader, ontferm U over hen.
In Jezus’ Naam.

– Amen –





Kom, Mijn kind, kom maar bij Mij.
Stort je hart maar bij Mij uit,
vertel Mij alles maar.
Vertel Mij van je diepste pijn,
je diepste verdriet.

Gooi het er maar uit, Mijn kind.
Schreeuw maar, huil maar.
Laat je tranen maar komen,
laat ze maar gaan,
het geeft niet.

Laat Mij komen, Mijn geliefd kind,
in wat zo diep in jou leeft.
Ik zie hoe je gebukt gaat
onder die zware last,
stort je hart toch uit, bij Mij!

Vertel het Mij, Mijn kind, vertrouw Mij!
Laat Mij je toch helpen
om die zware last te dragen.
Zie Mijn doorboorde handen,
de wond in Mijn zij!

Kom, Mijn kind, kom,
Ik wacht …

Kom, Mijn kind, kom,
Ik wacht …

©Rita Klapwijk

zondag 2 december 2012

Week 49 - Geestelijke gevoeligheid

Was mij schoon van mijn ongerechtigheid,
reinig mij van mijn zonde.
Want ik ken mijn overtredingen,
mijn zonde staat mij voortdurend voor ogen.  
Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd,
ik heb gedaan wat kwaad is in Uw ogen,
zodat U rechtvaardig bent wanneer U rechtspreekt
en rein bent wanneer U oordeelt.
HSV

Was al mijn zonden af,
maak me weer rein.
Ik ken mijn schuld toch,
ze staat mij steeds voor ogen.
Tegen u heb ik gezondigd,
tegen u alleen,
want ik heb gedaan
wat u verafschuwt.
Terecht hebt u me veroordeeld,
uw vonnis is juist.
GNB

Psalm 51:4-6

(Bij deze tekst moet ik altijd denken aan het lied: ‘Create in me a clean heart, o God, and renew the right spirit into me’, maar dat is in dit geval meer iets voor aan het eind)

Bewust worden, bewust zijn van je zonden.
Hoe gevoelig zijn we daar voor?
Hoeveel tijd zit er tussen zonde en berouw?
Dat is waar Beth Moore op doelt met ‘Geestelijke fijngevoeligheid’.

Davids woorden komen nadat de profeet Nathan, gezonden door God, hem heeft gewezen op zijn zonden, overspel met Bathseba en de moord op Uria. (2 Samuël 11, 12:1-23)

De profeet Nathan komt bij David en aan de hand van een verhaal, waarin hij inspeelt op Davids gevoel voor rechtvaardigheid, wijst hij de zonden in Davids leven aan.
David zoekt geen uitvluchten, noch komt hij met allerlei excuses, nee, hij zegt heel eenvoudig: ‘Ik heb gezondigd tegen de Heere.’
Hij belijd zijn zonde en het wordt hem terstond vergeven.
(Zijn daden hadden echter ook gevolgen en consequenties, maar daar kom ik verderop op terug)

Maar dat Davids berouw dieper gaat dan alleen dit ene zinnetje, blijkt uit Psalm 51, die hij heeft geschreven nadat de profeet Nathan hem had onderhouden over zijn overspel met Bathseba.
Hij smeekt om Gods medelijden, terwijl hij God als het ware wijst op Zijn goedheid, Zijn liefde.
Nadat Nathan hem had gewezen op zijn zonden, staan ze hem voortdurend voor ogen, ze achtervolgen hem als het ware.
Zijn zondebesef ging heel diep; … zondig ben ik geboren, schuldig vanaf de moederschoot …
Hij beseft dat God alleen maar van hem verlangt dat hij oprecht is.
Ook vreugde kent hij niet meer: ‘… laat mij weer blij zijn, open mijn hart weer voor vreugde …’
Hij beseft, dat God niet in de eerste plaats naar brandoffers en vleesoffers verlangt, maar naar een offer van berouw; naar een gebroken en een verbrijzeld hart.
David beseft ten volle dat hij gezondigd heeft tegen God en dat God eigenlijk alle recht heeft om Zich van hem af te keren.
En David smeekt God om hem niet van Zich af te stoten, Zijn Heilige Geest niet van hem af te nemen.

Hoor hem smeken …

Wis mijn fouten uit.
Was al mijn zonden af.
Maak me weer rein.
Ik ken mijn schuld.
Tegen U heb ik gezondigd.
Besprenkel mij, was mij, dan word ik weer rein.
Spaar mijn leven.
Berouw is het offer dat U verlangt.
Een gebroken en een verbrijzeld hart veracht U niet, o God.

Kennen wij dit?
Kennen wij zulk een diep besef en berouw over onze zonden?
Staan wij open voor vermaning?
Mag God ons, ook door een ander heen, op onze zonden wijzen, of steigeren we gelijk al bij het idee en hebben we zoiets als, dat maakt God mijzelf dan wel duidelijk?

Nu zijn overspel met een zwangerschap tot gevolg en moord wel twee heel duidelijk zichtbare zonden, maar zijn voor God eigenlijk in wezen niet alle zonden gelijk?
Zelfs de kleinste zonde brengt scheiding tussen God en ons en zelfs voor de kleinste zonde moest de Here Jezus de kruisdood sterven.

We zijn ons ook lang niet altijd bewust van de zonden die we begaan.
Er zijn ook vele verborgen zonden in ons leven.
Ik moet hier aan denken, omdat David ook dit specifiek noemt in één van zijn andere Psalmen en daar ook vraagt of God hem zijn verborgen zonden wil vergeven.
Psalm 19:13 - ‘Zuiver mij van mijn verborgen zonden, want iedereen maakt fouten zonder het te weten.’

Hoe zeer zijn wij ons nog bewust van onze zonden, bewust of onbewust, en hebben we nog oprecht berouw?
En leidt ons berouw dan ook tot af keren van en het accepteren van eventuele gevolgen?

We leven in een tijd van compromissen en veel zaken, waarover Gods woord eigenlijk heel duidelijk is, wordt onder het mom van ‘om erger te voorkomen’ getolereerd en in aangepaste vorm geaccepteerd.
We doen concessies met tv kijken onder het mom van ‘het is maar een film, het is niet echt’ en we sluiten compromissen met onszelf en praten onszelf zo schoon.
En dit geldt voor zo vele dingen.
Het gevolg is echter dat we steeds minder gevoelig worden voor wat Gods woord zegt over wat zonden zijn, wat zondig is.
Wat Hem verdriet doet, wat scheiding brengt tussen Hem en ons.

Wees waakzaam, zegt Petrus, wees waakzaam!
Ja, aan de ene kant gaat de satan rond als een briesende leeuw en aan de andere kant sluipt hij als een stille moordenaar rond in onze huizen en verleidt ons met onze tv, onze computer, onze muziek, onze …

Hoe gevoelig zijn we nog voor De zachte stem van Gods Geest?
Horen we Hem nog wel, of zou Hij steeds harder tegen ons moeten schreeuwen?
Al hebben we dan wel een probleem, want Gods Geest is een gentleman, Die Zich niet opdringt, Die Zich niet verheft om maar gehoord te willen worden, Die ons de ruimte geeft voor onze eigen wil en keuzes.

En hoe langer een zonde in ons leven blijft bestaan, hoe moeilijker het ook kan zijn om er vanaf te komen en hoe groter ook de gevolgen kunnen zijn.

De gevolgen voor Davids zonden waren groot.
De verzen 10 t/m 14 spreken hierover, maar wat David en Bathseba als eerste hard treft, is het sterven van hun zoon.
Om wat David gedaan had, zou zijn zoon sterven.
Zijn kind wordt ziek en na zeven dagen sterft hij.

Wat ik zo ontzettend bijzonder vind, is hoe David hier mee omgaat.
Ook daarin ligt een enorme les voor ons.
De profeet Nathan gaat naar huis en Davids zoon wordt ernstig ziek.
Het eerste dat David gaat doen is bidden en heel streng vasten.
De Bijbel zegt zelfs dat David op de grond ging liggen en al die tijd dat zijn zoon ziek was, bleef hij daar liggen voor het aangezicht van God en at niet.
Het kind was voor zeven dagen ziek voor het stierf en toen het gestorven was, durfden Davids dienaren het niet eens tegen hem te zeggen, bevreesd als zij waren voor Davids reactie.
Hij had al die tijd niet naar hen willen luisteren, hoe zouden ze hem nu moeten zeggen dat zijn zoon dood is.
Ze waren gewoon bang dat hij zichzelf iets aan zou doen.
Maar David merkt dat er iets en hij vraagt of zijn zoon dood is.
Zijn dienaren bevestigen dat en gelijk staat David op van de grond, wast zich, zalft zich en trekt schonen kleding aan.
Vervolgens gaat hij naar Gods huis en kniel neer en bid.
Daarna gaat hij weer naar huis, vraagt om eten en eet.

Zijn dienaren begrijpen er niets van en vragen er dan ook naar.
‘Zeven dagen en nachten huilt, vast en bidt u en nu het kind dood is doet u alsof er niets aan de hand is en eet.
Davids antwoord raakt mij heel diep (2 Samuel 12:22,23); hij antwoordt hen: ‘Toen het kind nog leefde, vastte ik en stortte ik tranen. Ik dacht: Wie weet is de HEER me genadig en blijft het kind in leven. Maar nu het dood is, wat zou ik nu nog vasten? Daarmee kan ik het toch niet terughalen. Ik ga naar hem toe; hij komt niet terug bij mij.’

Als zijn kind ziek wordt, zoekt David Gods aangezicht en bid en smeekt hij of God hem, zijn kind, genadig wilt zijn en het weer beter zal maken, maar hij aanvaard het ook als God het niet doet.
Hij weet dat hij gezondigd heeft en hij accepteert de gevolgen daarvan.
Hij weet dat God rechtvaardig is en hij onderwerpt zich aan God.

Ik vind dit zo bijzonder!
God spreekt Zijn oordeel uit over David, David bidt en smeekt, maar accepteer ook Gods rechtvaardige oordeel.

Onze God is een rechtvaardige God.
Onze zonden worden niet meer zo direct bestraft als toen.
De komst van de Here Jezus heeft dat veranderd.
Ons oordeel op de zonde wacht ons na dit leven als een ieder van ons zal moeten verschijnen voor de rechterstoel van God.
David vreesde God niet, noch Zijn oordeel, want hij wist dat God een rechtvaardig God was, maar ook een liefdevol en genadig God.
Davids zonde werd hem vergeven, zijn kind stierf daarvoor en zijn hele huis en geslacht werd getroffen door de gevolgen van zijn keuzes, maar God liet hem niet aan zijn lot over.
David was, ondanks al zijn fouten en gebreken een man naar Gods hart.
En dit was, geloof ik, alleen maar zo, omdat David openstond voor Gods leiding en  terechtwijzingen.
David heeft veel verkeerde keuzes gemaakt in zijn leven en zijn gezin was alles behalve een voorbeeld gezin, maar hij was en bleef God trouw tot in de dood en was gevoelig voor de stem van Gods geest als het ging om zijn zonden en ongerechtigheden.

Steeds opnieuw lezen we over David hoe hij God bid en smeekt om vergeving van zijn zonden en ongerechtigheden, zelfs die verbogen waren.
Hij vroeg God om het hem te laten zien: ‘Doorgrond mij, o God, en ken mijn hart,
beproef mij en ken mijn gedachten. Zie of er bij mij een schadelijke weg is
en leid mij op de eeuwige weg.’

David bezat een geestelijke gevoeligheid die hem heel dicht bij God hield en zorgde voor een bijzondere relatie met Hem, waardoor hij genoemd werd ‘een man naar Gods hart’.
O, wat verlang ik daar ook naar, een vrouw te zijn naar Gods hart.
Jij ook?


Lieve Vader in de hemel.
Wat verlang ik er ook naar om een vrouw te zijn, te worden, naar Uw hart.
Ik dank U, voor het getuigenis van Davids leven zoals dat opgeschreven staat in Uw woord.
David, een man naar Uw hart, en tegelijkertijd een mens als wij, met alle fouten en gebreken.
Wat kunnen we veel leren van zijn leven, van zijn woorden, van wie hij was, maar bovenal van zijn relatie met U.
Dank U, Vader, dat U werkelijk op alle mogelijke manieren naar ons toe komt en ons tegemoet komt.
En ik bid U om geestelijke gevoeligheid, zodat ik Uw zachte stem zal horen en verstaan en leer mij om ook te luisteren en te gehoorzamen.
Ik verlang naar een relatie met U, die steeds intiemer zal zijn en naar een leven dat steeds heiliger zal worden.
Ik verlang te zijn, een vrouw naar Uw hart.

In Jezus’ Naam.

- Amen –


Schep in mij, o God,
een rein en nieuw hart;
zuiver en reinig mij ook
van mijn verborgen zonden.
Maak mijn hart ontvankelijk
voor de stem van Uw Geest;
zacht en gevoelig, tot inkeer
van zonden en berouw.
Zodat het iedere dag
met U zal zijn verbonden.

©Rita Klapwijk



 Create in me a clean heart, O God
And renew a right spirit within me
Create in me a clean heart, O God
And renew a right spirit within me

Cast me not away from thy presence, O Lord
Take not thy Holy Spirit from me.
Restore unto me the joy of my salvation.
And renew a right spirit within me

  

zondag 1 januari 2012

Week 1 - Een hart dat Hem kent

'Ik zal hun een hart geven om Mij te kennen, dat Ik de HEERE ben, en zij zullen Mij tot een volk zijn en Ik zal hun tot een God zijn; want zij zullen zich tot Mij bekeren met heel hun hart.'

Jeremia 24:7


Matthew Henry zegt over deze tekst: Hier wordt hun beloofd: Ik zal hun geven, niet zozeer een hoofd om Mij te kennen, maar een hart om Mij te kennen.
Want zij zullen zich tot Mij met hun ganse hart bekeren.
God Zelf onderneemt het bij hen dat zij zo zullen zijn, en als Hij ons bekeert, dan zullen wij bekeerd zijn.

De diepte van deze tekst is, dat God ons soms juist door allerlei beproevingen laat gaan om ons te brengen tot verootmoediging, zodat we onze zonden gaan belijden en erkennen dat Hij, en Hij alleen, God – Jaweh, Jehova, de Ik ben, de Ene – is.
En dan niet alleen met ons hoofd, maar juist met ons hart.
God verlangt naar een hart dat Hem wil kennen.

Het was Gods plan, Gods wil, dat het volk weggevoerd werd naar Babel, maar niet omdat Hij het slechtste met hen voor had, maar juist omdat Hij het goede met hen voor had.
Hij verlangde ernaar dat Zijn volk Hem weer zou toe behoren met hun gehele hart en zij zo weer onder Zijn bescherming en liefde zouden leven.
God wilde voor hen zorgen, hen beschermen en met al Zijn liefde omgeven.

In Ezechiël 11:14-21 vinden we dat ook terug.
Ook hier beloofd God dat Hij Zijn volk terug zal brengen in Israël vanuit hun ballingschap en hen een nieuw hart zal geven en een nieuwe geest; een warm kloppend hart in plaats van een hart van steen.
Zij zullen Mijn volk zijn, Ik zal hun God zijn.

Het hart zorgt ervoor dat het bloed door ons lichaam stroomt; als het hart stopt met kloppen en het wordt niet opnieuw op gang gebracht, dan gaan we dood.
Het is dus het meest belangrijkste deel van ons lichaam om te kunnen leven.

Het hart is ook het symbool van de liefde.
Wij willen toch allemaal het hart veroveren van die ene waar ons hart voor in vuur en vlam staat?
We willen toch allemaal in onze relatie met de ander dat het hart van die ander ons toebehoort en alleen van ons houdt?
Dat wil je toch niet delen en al helemaal niet dat het naar een ander uitgaat.
Hoeveel te meer geldt dit niet voor God!
Hij heeft ons geschapen; Hij houdt al van ons nog voor we zelfs maar geboren waren.
En Hij doet er alles aan om ons hart voor Zich te winnen en als we dan ons hart aan Hem geven, dan wil Hij dat ook met niemand anders delen.

God verlangt naar ons hart, naar een warm kloppend hart, dat alleen Hem toebehoort.
Een hart dat Hem zoekt, dat Hem wil kennen en Hem wil dienen.
Hij wil ons van alles geven, maar boven alles wil Hij dat we Hem kennen.
God verlangt naar persoonlijke omgang met ons, naar een persoonlijke relatie met ons, een hartsrelatie, naar intimiteit en dit is alleen maar mogelijk als we investeren in onze relatie met Hem.
Daar verlangt God zo naar!
Zoek dagelijks Zijn aangezicht!
Lees je Bijbel, onderzoek Zijn woord, denk er over na!
Word stil, luister, bid!
Leer Hem kennen.
Wij zullen Zijn kinderen zijn en Hij zal onze God zijn.
Je zult in deze liefde nooit worden teleurgesteld!


Lieve Vader,
dank U wel, dat U met mij een relatie wilt aangaan.
Dank U wel, dat U verlangt naar mijn hart ongeacht wie ik ben of wat ik ook ooit heb gedaan.
Dank U wel, dat U dit allemaal ook voor ons hebt mogelijk gemaakt door Uw Zoon naar deze aarde te zenden als verzoening voor al onze zonden en als middelaar tussen U en ons.
Laat mijn vertrouwen toch altijd op U zijn hoe mijn omstandigheden ook zijn of worden.
U hebt altijd het beste met mij voor; U hebt immers plannen van vrede over mij en niet van onheil.
U wilt alleen maar dat ik U steeds beter leer kennen, U meer en meer leer vertrouwen, dat de relatie tussen U en mij zich verdiept.
Laat het zo zijn, lieve Vader, dat als het moeilijk wordt, ik mij niet van U af zal keren, maar juist dichter bij U zal komen om mijn toevlucht bij U te zoeken.
U zult mijn vertrouwen nooit beschamen.
Maar laat het ook zo zijn,Vader, dat als er voorspoed is, ik U niet vergeet, maar U zal danken en het gebruiken tot eer en glorie van Uw Naam en ten dienste van mijn naaste.

In Jezus Naam.

- Amen -


Leg je hand maar in die van Mij;
vertrouw Mij, ook dit komende jaar.
Hoe je weg ook zal zijn,
weet dit: Ik ben daar!

Leg je hand maar in die van Mij;
laat Mij je vormen en kneden.
Wees niet bang, vertrouw Mij maar,
alles wat Ik doe, doe Ik met een reden.

Leg je hand maar in die van Mij;
Vertrouw jezelf maar geheel aan Mij toe.
Ik zal je nooit beschamen;
Ik weet wat Ik doe.

Leg je hand maar in die van Mij
en ervaar Mijn grote liefde voor jou.
wandel dagelijks aan Mijn hand
en bemerk hoeveel Ik van je hou.


Gods rijke zegen
en een liefdevolle groet,
Rita