Posts tonen met het label overwinnen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label overwinnen. Alle posts tonen

zondag 6 oktober 2013

Week 41 - Aan het licht brengen

'Daarom zegt Hij: Ontwaak, u die slaapt, en sta op uit de doden, en Christus zal over u lichten.'
HSV

'… want alles wat openbaar wordt, is licht.
Daarom heet het: Ontwaak, slaper, sta op uit de dood en het licht van de Christus zal over u schijnen.'
GNB

Efeziërs 5:14

Bijna altijd lees ik het gedeelte waaruit een bepaalde tekst komt, of in ieder geval de teksten rondom een gegeven Bijbeltekst.
In een geval als bij deze Bijbeltekst helemaal, want er staat: ‘Daarom ….’.
Om te kunnen weten wat dit ‘daarom’ inhoudt, is het goed om Efeziërs 5 in zijn geheel even te lezen.
Hier beperk ik mij echter wel van vers 1 t/m vers 20.

Het is een hoofdstuk, waarin Paulus een indringende oproep doet aan al Gods kinderen.
Mij treft als eerste al het kopje boven de Herziene Statenvertaling.
Komen bij de gewone Statenvertaling en bij de NBG het woord vermaning(en) naar je toe, de HSV zegt: ‘Wandelen als kinderen van het licht.
Het woord vermanen heeft voor mij van vroeger uit niet echt een prettige klank, maar daarentegen ‘Wandelen als kinderen van het licht’, roept mij weldegelijk op om goed te lezen wat Paulus hier zegt.
Want dat is wat ik graag wil; wandelen als een kind van het licht.
Jij ook?
Dan is het goed om dit hoofdstuk eens goed door te nemen en te overdenken, want er staat nogal wat in.

Liefde is duidelijk de sleutel van alles; het centrum, de spil, simpelweg van waaruit alles dient te worden gedaan.
Het was uit liefde dat Jezus Zijn leven heeft gegeven voor ons en Hij was daarmee een aangenaam en geurig offer voor God.
Liefde dient dus van ons christenen het uitgangspunt te zijn van waaruit wij leven, van waaruit wij dingen wel en/of niet doen.
‘Wees dan navolgers van God, als geliefde kinderen, en wandel in de liefde zoals ook Christus ons liefgehad heeft en Zichzelf voor ons heeft overgegeven als een offergave en slachtoffer, tot een aangename geur voor God.’ (vers 1,2)

Vervolgens noemt Paulus een aantal dingen die niet bij kinderen van het licht horen.
Ontucht/hoererij, onzedelijkheid/onreinheid, hebzucht, grove, oppervlakkige of dubbelzinnige taal.
De Bijbel noemt deze dingen zelfs afgoderij en niemand die deze dingen doet, kan deel hebben aan Zijn koninkrijk!

Dat er mensen zullen zijn die ons hierin zullen proberen te misleiden, verliest Paulus ook niet uit het oog.
God gehoorzaam zijn gaat boven alles en als er mensen zijn die ons willen verleiden tot het doen van dingen die tegen Gods woord ingaan, dan zullen we hen moeten mijden en hun levensstijl niet overnemen.

Met dat we tot geloof gekomen zijn, zijn we kinderen van het licht geworden en we dienen dan ook als kinderen van het licht te leven.
In het licht groeien de vruchten van de Geest; vruchten als goedheid, en rechtvaardigheid en waarheid.
En Paulus spoort ons aan om ons toch te richten op wat God wil, dat we ons best doen om te ontdekken wat Zijn wil is.

We moeten niet meedoen met zaken die het licht niet verdragen, maar ze juist ontmaskeren, openbaar maken, aan het licht brengen.
Diep van binnen weten we als kinderen van het licht vaak best wel wat wel of wat niet goed is; wat Zijn licht wel verdraagt en wat niet.
Joh. 3:20,21 zegt:
‘Iemand die het kwade doet, haat het licht en gaat het licht uit de weg; hij is bang dat zijn daden ontdekt worden. Een oprecht mens zoekt het licht op; dan blijkt dat hij gehandeld heeft in verbondenheid met God.’
Als we God uit de weg gaan, bepaalde delen van Zijn woord maar overslaan, is het verstandig om eens goed na te gaan denken over waar we staan en waar we mee bezig zijn.
Vooral gezien de tijd waarin we leven is het zo ontzettend belangrijk om Gods woord te lezen, te overdenken, te ontdekken wat Hij hierin ons wil zeggen en leren, en het als leidraad voor ons leven te gebruiken.

Ik heb het al vaker gezegd, maar ook hier wil ik het opnieuw benadrukken, want de misleiding is groter en dichterbij dan ooit.
Satan doet niets liever dan zand in onze ogen strooien om ons te verblinden voor Gods waarheid, en hij vindt het prima als we als ‘slapende’ christenen in de kerkbanken zitten en niet meer horen hoe er dingen gepredikt worden die tegen Gods woord ingaan.
Satan weet, dat als wij de dingen die we horen of die we zien, in Gods licht gaan plaatsen, we op weg zijn naar vrijheid, naar redding, naar bevrijding en dat is het laatste dat hij wil.
Als we gevoelens van schaamte hebben over iets dat we gedaan hebben, dan willen we dit het liefste zo ver mogelijk wegstoppen zodat niemand het zien kan.
Satan vindt het erg prettig als we dit doen, omdat hij weet dat er op deze wijze altijd iets tussen God en ons in zal staan en zal verhinderen om in de vrijheid van God te kunnen leven.

Slapen wij?
Zijn wij als doden?
Zijn wij als horenden doof of als zienden blind?

‘Let dus goed op,’ zegt Paulus dan, ‘dat u nauwgezet wandelt, niet als dwazen, maar als wijzen; als verstandige en niet als onverstandige mensen.
Buit de geschikte tijd uit, gebruik je dagen goed, want we leven in een slechte tijd.
Wees niet onverstandig of dwaas, maar probeer te ontdekken wat Gods wil is.
En word niet dronken van wijn, waarin losbandigheid is, maar word vervuld met de Geest, en spreek onder elkaar met psalmen, lofzangen en geestelijke liederen, en zing voor de Heere en loof Hem in uw hart, en dank altijd voor alle dingen God en de Vader in de naam van onze Heere Jezus Christus.’

Als we al onze daden, onze gedachten, onze gevoelens in Zijn licht brengen, bewandelen we de weg die leidt naar redding, naar vergeving, naar genezing, naar vrijheid.
Dan kan Zijn licht door ons heen schijnen, waardoor we Hem zullen weerspiegelen.
Dan kan Zijn Geest wonen en werken in ons hart en in ons leven en zal Zijn liefde door Zijn Geest in ons hart worden uitgestort en we zullen kunnen liefhebben als Hij.
Zo zal dan ook ons leven worden en zijn tot een aangename geur voor God.


Lieve Vader in de hemel.
Welk een indringende woorden spreekt U tot ons door Paulus heen.
Ik kan U alleen maar bidden, HEER, laat mij zien waar ik in mijn leven dingen verborgen houdt voor U.
Soms, Vader, zijn er immers verborgen zonden, zonden waar we geeneens weet van hebben, maar die hun uitwerking niet missen.
Ik bid U daarom, Vader, open mijn ogen, mijn oren, opdat ik zal zien wat (nog) niet in Uw licht is en help mij om het in Uw licht te brengen, opdat er vergeving, genezing en bevrijding komt en ik Uw weg zal bewandelen als kind van het licht.
Dan kan Uw licht schijnen door mij heen en kan U gezien worden.
Laat het licht van Uw woord meer en meer schijnen over mijn leven, opdat het heiliger en tot een aangename geur voor U zal zijn.
Dank U, voor Uw Geest, die mij daarin zal bijstaan en helpen, ja, onderwijzen en leiden, iedere dag.
Dank U wel, Vader, voor Uw woord, voor Uw liefde en voor Uw trouw.
Ik prijs Uw grote Naam.

- Amen -


Heer,
stort Uw Geest
van liefde
uit in mijn hart,
opdat ik
naar Uw voorbeeld
zal leven.

Niemand
heeft immers
grotere liefde
dan U,
die Zijn leven
voor mij
heeft gegeven.

Leer mij wandelen,
leer mij leven,
als een kind van het licht,
opdat het zal zijn
tot een aangename geur
voor Uw aangezicht.


Gods rijke zegen
en een liefdevolle groet,
Rita

zondag 22 september 2013

Week 39 - Dagelijkse afhankelijkheid

'En wat betreft zijn levensonderhoud: een voortdurend levensonderhoud werd hem door de koning van Babel verstrekt, een dagelijkse hoeveelheid, tot de dag van zijn dood, al de dagen van zijn leven.'
HSV

'In opdracht van de koning van Babel werd dagelijks in zijn onderhoud voorzien, heel zijn leven, tot aan zijn dood.'
WBV

Jeremia 52:34


Het einde van het Kalendertje van Beth Moore is in zicht, nog maar vier bladzijden (waarvan dit er één is) te gaan.
Hierna nog drie weken een stukje en dan …
En dan weet ik het nog niet, al zie ik ook wel even uit naar een rustpauze.
Maar ik laat het aan Hem over, aan wat Hij op/in mijn hart legt, of op mijn pad brengt.


Het is prachtig wat het vers uit Jeremia 52 zegt, maar wat de gegeven tekst ons niet vertelt, is dat hier wel zevenendertig jaren in de gevangenis aan vooraf gegaan zijn.
Jojachin (Jojakin) was de zoon van Jojakim en was door koning Nebukadnezar gevangen genomen.
Na zijn overlijden verleende zijn zoon, die hem opgevolgd was, Jojachin gratie; hij haalde Jojachin uit de gevangenis en gaf hem een ereplaats onder alle koningen die in Babel waren.
Jojachin hoefde geen gevangeniskleding meer te dragen, en at voortaan aan de tafel van de koning van Babel.
Vanaf die dag voorzag de koning van Babel in het levensonderhoud van deze koning tot aan zijn dood toe.

‘Hoewel de nacht van de beproeving heel lang kan duren, moeten we toch niet wanhopen.
De dag zal ten laatste aanbreken.
Jojachin was zevenendertig jaren lang een gevangene, opgesloten, in verachting, sinds hij achttien jaar oud was.
Laten zij van wie de beproevingen langdurig worden, moed putten uit dit voorbeeld.


Het is niet tevergeefs om te hopen en stil te wachten op het heil des Heeren.’

Matthew Henry

‘Laten zij van wie de beproevingen langdurig worden, moed putten uit dit voorbeeld.’
Kunnen wij moed putten uit dit voorbeeld?
Ik vind het heel wat, wat Matthew Henry hier schrijft.
Moed putten uit een voorbeeld waarbij de betreffende persoon zevenendertig jaar in de gevangenis heeft doorgebracht voordat hij uiteindelijk gered werd.
Ik weet niet hoe het bij jou is, maar die zevenendertig jaren liggen me toch wel behoorlijk zwaar op de maag.
Zevenendertig jaar leven in beproeving; of dat nu de gevangenis is waarin Jojachin zat, of wat anders, die zevenendertig jaar is als een enorme berg waar ik tegen aan kijk en die het andere, de redding, wil overheersen.
Woorden als ‘dan hoeft het ook eigenlijk niet meer’; ‘z’n leven is dan toch al meer dan voorbij’ komen op in mijn gedachten, terwijl ik dat in wezen natuurlijk helemaal niet zou menen en ook helemaal niet zo is.

Maar ik weet waar het hier om draait, ik weet wat Matthew Henry bedoelt.
De vraag is: waar kijken we naar als we dit lezen, waar richten we onze aandacht op, wat laten we de boventoon voeren?
Zijn het die zevenendertig jaren of de redding die toch kwam?
Het hangt ongetwijfeld af van je persoonlijkheid, je karakter, je omstandigheden, hoe je in het leven staat, wat je antwoord zal zijn.
Iemand met een opgeruimd karakter, bij wie het glas half vol is in plaats van half leeg, zal eerder het positieve zien , dan iemand die wat zwaarmoediger is van karakter.
Ook in welke omstandigheden je op dit moment verkeert, kunnen je antwoord beïnvloeden.
Onze gevoelens beheersen vaak hoe we met dingen omgaan of hoe we ergens op reageren.
Maar zoals we allemaal wel weten zijn gevoelens bedrieglijk en kunnen ons blind maken voor de waarheid.
En zoals zo vaak het geval is als het om geloven gaat, komt het aan op welke keuze wij maken.
Kiezen wij ervoor om te zien op die zevenendertig jaar van gevangenschap, of kiezen we ervoor om te zien op de redding die God toch bracht?

Wat laten we overheersen in dit verhaal?
Wat nemen we mee als voorbeeld voor ons eigen persoonlijke leven?
Staren we ons blind op het feit dat God dus iemand zevenendertig jaar in een beproeving kan laten zitten, en willen we zo’n God niet, of zien we dat God nooit iemand vergeet en dat Hij redding brengt?
Erkennen we Zijn grootheid, Zijn macht, Zijn soevereiniteit, volledig of alleen maar op momenten dat het ons voorspoedig gaat?

Gods gedachten zijn niet onze gedachten, en onze wegen zijn niet Gods wegen, Zijn gedachten, Zijn wegen zijn hoger dan onze gedachten en onze wegen. (Jesaja 55:8,9)
Erkennen we dit?
En doen we dat ook als de beproevingen langer duren, laten we zeggen zo’n zevenendertig jaar?

Er staat niets geschreven over hoe Jojachin eraan toe was, hoe het voor hem was al die tijd in de gevangenis, wat zijn gedachten en gevoelens waren toen hij na zevenendertig jaar uit de gevangeis werd gehaald.
Er staat alleen maar dat hij bevrijd werd en dat hij de rest van zijn leven mocht doorbrengen aan de tafel van de koning.
Voor ons mensen zijn gevoelens, het weten van het hoe en waarom, de achterliggende dingen, zo belangrijk.
Maar God vraagt van ons om Hem gewoon te vertrouwen, altijd en in elke omstandigheid en ongeacht hoe lang dingen duren.
Als Hij langdurige beproevingen in ons leven toelaat, dan past dat in Zijn plan.
En daarin is vaak geen antwoord op het waarom
Geen antwoord op waarom de één zoveel en zolang en bij de ander niets, of ogenschijnlijk nauwelijks iets.
God is God; hoger, groter, machtiger dan wij ons kunnen voorstellen.
Buigen we voor Hem of trotseren we Hem?
Erkennen we Hem of komen we in opstand tegen Hem?
Nederig of hoogmoedig?
Gehoorzaam of ongehoorzaam?

Regelmatig met het schrijven van dit stukje gaan mijn gedachten naar Jozef.
Ook hij rolt van de ene ellende in de volgende ellende.
Zijn veilige en bevoorrechte leventje als lievelingetje van zijn vader verandert drastisch van de één op de andere dag als hij door zijn broers in de put wordt gegooid en vervolgens wordt verkocht als slaaf en uiteindelijk ook in de gevangenis belandt.
Hoeveel jaren gingen er ook niet bij hem voorbij, voordat hij uiteindelijk onderkoning werd?

En Mozes?
Hoelang heeft hij niet in de schapen gehoed van zijn schoonvader voordat hij het volk Israël uit Egypte mocht leiden?

God gebruikt beproevingen, ja, zelfs jaren van beproevingen om Zijn plannen te volvoeren en het is vaak niet aan ons om te begrijpen of te weten waarom.
God vraagt ons om Hem te vertrouwen op grond van wat Hij door alle eeuwen heen heeft gezegd, beloofd en gedaan.
Daarvoor is het  nodig dat we ons bewust zijn, bewust worden, van Zijn grootheid, van Zijn macht, van wie Hij is en van wat Hij heeft gedaan!
Hij is bij ons, ook al ervaren wij dit niet!
Hij zorgt voor ons, ook al zien wij dit niet!
Hij heeft ons de Here Jezus gegeven en met Hem de kracht in ons die Hem deed opstaan uit de dood!

‘… en wat de allesovertreffende grootheid van Zijn kracht is aan ons die geloven, overeenkomstig de werking van de sterkte van Zijn macht, die Hij gewerkt heeft in Christus, toen Hij Hem uit de doden opwekte …’
Efeze 1:19,20

Durven, willen we, in alles afhankelijk te zijn van Hem?
Accepteren we Zijn leiding in en over ons leven, ook als het gaat om dingen die in het geheel niet prettig zijn en soms zelfs jaren voortduren?
Geloven we dat echt alles in Zijn hand is, goede en slechte dagen, en dat Hij daarin en daarbij is, ongeacht wat onze gevoelens zeggen?
Zijn we bereid om ons te onderwerpen aan Hem, de schepper van hemel en aarde en te erkennen dat Hij en Hij alleen HEER is?

‘Laten zij van wie de beproevingen langdurig worden, moed putten uit dit voorbeeld.
Het is niet tevergeefs om te hopen en stil te wachten op het heil des Heeren.’

Ja, laten we er voor kiezen om moed te putten uit dit voorbeeld, want het laat ons zien dat God ons nooit vergeet; nooit zullen we te vergeefs hopen en wachten op Zijn hulp, op Zijn redding.


Lieve Vader in de hemel.
Als we werkelijk gaan zien wie U bent, dan beseffen we pas echt hoe afhankelijk we ook zijn van U.
Dan pas gaan we beseffen hoe nietig en klein wij mensen eigenlijk zijn en hoe bijzonder het eigenlijk is, dat U naar ons omziet.
Dat U, ondanks wat wij doen, wat voor puinhoop wij er ook van maken, voor ons zorgt en ons helpt.
Jojachin deed van alles wat niet goed was in Uw ogen en hij bracht zevenendertig jaar door in de gevangenis, maar U vergat hem niet.
U zag Jozef in de put, maar ook in de gevangenis.
U zag Mozes in de woestijn bij de kudde van zijn schoonvader.
U ziet ons, waar we ons ook bevinden en in elke omstandigheid.
En U zorgt, helpt, leidt, volvoert Uw plannen.
Lieve Vader, leven in dagelijkse afhankelijkheid van U kunnen we alleen als we beseffen, en erkennen, wie U bent en onszelf zien zoals we zijn: zondig en onrein, nietig en klein.
Niet meer dan een stofje, als een bloem in het gras die afvalt en door de wind wordt meegenomen.
En toch, zegt Uw woord ons, heeft U hem bijna goddelijk gemaakt!
Lieve Vader, vergeef ons als we boos en opstandig worden als het leven tegenzit of beproevingen lang(er) duren.
Vergeef ons, open onze ogen voor Uw waarheid en leer ons daarin te wandelen, te leven.
Dat niet ons gevoel, of wat we horen of zien zal regeren in ons hart, maar U, Uw woord, Uw waarheid.
Doe ons beseffen welk een grote kracht U ons heeft gegeven en leer ons om vanuit die kracht te leven.
Uw Geest is in ons! Uw Geest is in ons!
Ik buig mij voor U, Vader, voor wie U bent, voor Uw plannen, voor Uw gedachten, voor Uw wegen.
Dank U wel, dat ik nooit te vergeefs zal hopen en wachten op Uw hulp, op Uw redding!
Dank U wel, Vader, dank U wel!
Ik prijs Uw Naam!

- Amen -


Maak mij, bewust, o Heer,
van wie U werkelijk bent.
Leer mij U kennen zoals ik
U nog nooit heb gekend.

Open mijn ogen, doe mij zien,
de grootheid van Uw macht,
en open mijn oren, doe mij horen,
Uw woorden, vol van kracht.

Doe mij beseffen, o Heer,
wie U werkelijk bent.
En leer mij U te vertrouwen
alle dagen, ja, elk moment.


Gods rijke zegen
en een liefdevolle groet,
Rita

zondag 26 mei 2013

Week 22 - Kinderen van God

Lieve kinderen, u bent uit God en u hebt hen overwonnen, want Hij Die in u is, is groter dan hij die in de wereld is.
HSV

Maar u, mijn kinderen, behoort God toe en u hebt de valse profeten overwonnen. Want hij die in u leeft, is machtiger dan hij die de wereld bezielt.
GNB

1 Johannes 4:4


Het is alweer even geleden dat ik een afbeelding (was een bestaande afbeelding van Internet) bewerkte en maakte tot een bemoediging voor mijzelf.
Het was in een zeer moeilijke en zware periode binnen ons gezin dat het me allemaal  teveel dreigde te worden.
De strijd was zo zwaar en er leken wel achtenveertig uur in één dag te zitten in plaats van maar vierentwintig.
Mijn eigen kracht dreigde te bezwijken, en ook Gods kracht leek soms ver te zoeken.
En toen kwam ineens dit woord op mijn pad.
‘Want Hij die in mij leeft, is machtiger dan hij die de wereld bezielt.’

Ik koos met opzet voor de vertaling uit de GNB, want het woordje ‘bezielt’ gaf voor mij precies weer, zoals het was (en ook is).
… dan die de wereld bezielt …
De Naardense Bijbel zegt het zo: … dan hij die in de wereld huist …
Misschien vind je me een kniesoor om zo op een woordje te letten, maar het verschil dat ik proef tussen … dan die in de wereld is … en dan die de wereld bezielt/… dan die in de wereld huist, is voor mij zo groot en zo veelzeggend.
Wil je eens met mij meegaan de diepte van deze woordjes in en vervolgens alles leggen naast het ‘Hij die in mij is, in mij leef, is machtiger, is groter’?
Je zult zien dat de betekenis van deze tekst daardoor nog veel groter en meer zeggend wordt.

Voor mijzelf houdt het zinnetje  … dan die in de wereld is … in, dat hij ergens en overal is, rondzwerft, zich niet bevindt op een specifieke plek of plaats.
Er ligt iets in dit zinnetje dat het in mijn ogen ruim maakt.
En daarmee lijkt ook zijn kracht, zijn macht; minder, minder heftig, minder ingrijpend, waardoor ook de kracht van Hem die in ons is ook minder sterk naar voren komt.

Het woordje bezielt komt van het werkwoord bezielen, wat meerdere betekenissen heeft.
Enkele betekenissen zijn: begeesteren, leven geven aan, aanvuren, animeren, drijven, inspireren, verrukken.
Misschien denk je nu dat een aantal daarvan wel geschrapt kunnen worden omdat ze in dit verband niet van toepassing zijn, maar niets is minder waar.
Als je namelijk weer kijkt naar de betekenissen van elk van deze woorden en die invult in de tekst, dan kunnen we zien dat de boze een geduchte tegenstander is.

Nee, ik wil niemand bang maken, noch hem, de boze, in de spotlight zetten, maar in een oorlog – en we leven als christenen immers in oorlog met de boze en zijn trawanten  - is het belangrijk je vijand goed te kennen, zodat je hem, zijn kracht/zijn macht, niet onderschat en weet hoe je tegen hem moet vechten om hem te kunnen verslaan.

Laten we de woorden maar eens in deze regels invullen:
… dan hij die de wereld begeestert; die de wereld tot hartstocht brengt …
… dan hij die aan de wereld leven geeft …
… dan hij die de wereld aanvuurt; aanwakkert, aandrijft, aanblaast …
… dan hij die de wereld animeert; opmontert, opvrolijkt …
… dan hij die de wereld drijft; voortduwt, runt …
… dan hij die de wereld inspireert; ingeeft, inblaast, …
… dan hij die de wereld verrukt; betovert, in vervoering brengt …

Dit is wat de boze doet.
Hij is niet zomaar alleen in de wereld, maar hij heerst in de wereld en hij doet alles wat in zijn vermogen ligt om de mensen bij God vandaan te houden of te krijgen.
Geen enkel middel schuwt hij daarvoor.
De Bijbel zegt niet voor niets dat hij de vader van de leugen is, een mensenmoordenaar vanaf het begin. (Joh. 8:44)
Waar hij de kans krijgt, betovert hij mensen door ze van alles voor te spiegelen en voor te houden en brengt ze in vervoering van geld, macht, aanzien, schoonheid, …
Hij duwt ze voort, brengt ze tot hartstocht en verleidt ze tot zonde.
Hij blaast de wereld, de mensheid, waar hij maar kan zijn adem in, adem vol leugen en bedrog, een adem die leidt tot de dood.

De boze bezielt de wereld, hij huist in de wereld.
De wereld is zijn woning.
De wereld is zijn thuis.
En hij weet dat het bijna zover is dat hij zijn ‘thuis’ kwijtraakt, waardoor hij alles in het werk stelt om Degene die hem straks zijn ‘thuis’ voorgoed afpakt en hem voor eeuwig verbant naar de afgrond, nog zoveel mogelijk dwars te zitten en wat Hem zo lief en dierbaar is daarin mee te sleuren.
‘Ik geen thuis meer, dan jij ook niet’ lijkt zijn motto te zijn.
Hoor hoe hij briest van woede.
Hoor hem snuiven.
Open je ogen en zie hoe hij erop uit is om zoveel mogelijk mensen te verslinden.
Wees waakzaam!
Maar besef boven alles, dat Hij Die in ons is, machtiger is, groter is, overwonnen heeft!
Ja, Hij Die in ons is, Die in ons woont, is machtiger, is groter, dan hij die de wereld bezielt!

Als je met het lezen van het voorgaande iets geproefd heb van de macht en kracht die de boze in deze wereld heeft, dan is het mijn gebed, dat je daardoor juist nog meer zult gaan beseffen hoe groot dan wel niet de macht is van Hem die in ons is/leeft.
Soms lukt het de boze om ons zicht op wie God is zo te vertroebelen, dat we als krachtloze en hulpeloze wezens voortploeteren tot dat God opnieuw onze ogen opent.
Wat is het belangrijk om te weten wie God is en wie wij zijn in Hem en welke kracht in ons is.
De tekst die ter inspiratie erbij gegeven is, zegt: ‘Hij die in ons is, is machtiger, is groter, dan …’.
We zijn dus geen krachteloze, hulpeloze, mensen, hoe graag de boze ons dit ook wil doen laten geloven, want dat werkt per slot van rekening in zijn voordeel.
Hij die in ons is, is machtiger, is groter …

God heeft door Jezus alles geschapen, zowel in de hemel als op de aarde, alles wat zichtbaar is, maar ook alles wat onzichtbaar is, zoals tronen en heerschappijen, overheden en machten.
Alles is door Hem en voor Hem geschapen.
Alles heeft God gemaakt voor Zijn doel.

De hemel getuigt van Zijn wonderen en de engelen roemen Zijn trouw.
Niemand is aan Hem gelijk.
Hij wordt gevreesd door engelen en roept ontzag op bij iedereen die rondom Hem is.
Niemand is zo sterk als de God de Heer, de Almachtige.
Hij heerst over de onstuimige zee, de hoogste golven brengt Hij tot bedaren.
De hemel en aarde zijn van Hem, de gehele wereld met al haar bewoners.
Onwrikbaar zette Hij haar vast. 

En deze grote en Almachtige God kent ons, doorgrond ons.
Hij weet wat we denken, wat we willen zeggen, wat we willen gaan doen.
Hij is voor ons, achter ons, ja, rondom ons.
Er is geen plaats waar we naar toe kunnen gaan waar Hij ons niet zou zien.
De dag is als de nacht voor Hem, en het duister als de dag.
Nog verborgen in de moederschoot, nog voor wij enige vorm hadden, had Hij ons al gezien, werden onze dagen opgeschreven nog voor we er ook maar één hadden geleefd.
Hij heeft zelfs al onze haren geteld. 

Wat Hij zegt is waar en betrouwbaar; zuiver en een bron van vreugde.
Hij is liefdevol en genadig, geduldig, trouw en waarheid.
Hij biedt bescherming; is een schuilplaats, een toevluchtoord, een bevrijder.
Hij is onze hulp; Hij waakt over ons.
Op wonderlijke wijze grijpt Hij soms in.

En uit liefde voor ons zond Hij Zijn Zoon om ons te redden, te verlossen.
Hij leed en stierf voor onze zonden, maar God wekte Hem op uit de dood op de derde dag.

Hij is het begin en het einde; de Alfa en de Omega.

Hij, de HEER, is onze God, de GOD der goden, de HEERE der heren; groot, machtig, ontzagwekkend. (Deuteronomium 10:17 – In sommige vertalingen vers 16)

O, ik zou nog veel meer kunnen schrijven over hoe groot en indrukwekkend God is, over Zijn macht, Zijn majesteit, Zijn liefde, Zijn genade, Zijn …
De Bijbel staat vol van Zijn grootheid, van Zijn macht.
Hoe groot en machtig de boze zich soms ook voordoet, naast onze God is hij niets anders dan een pluisje in het heelal.
Er is niets dat hij kan doen zonder dat God hem daartoe toestemming geeft.
Denk maar eens aan het verhaal van Job.
En deze grote God heeft in ons, Zijn kinderen, woning gemaakt door Zijn Geest in onze harten uit te storten.
Zijn Geest van kracht, van liefde en van bezonnenheid. (2 Tim. 1:7)

Paulus spreekt in Efeze 1 vers 19, 20 over de allesovertreffende grootheid van Zijn kracht die voor ons gelovigen is; dezelfde kracht die Jezus opwekte uit de dood.

Ja, de boze kan het ons soms heel moeilijk en lastig maken, maar wij zijn degenen die bepalen of we opgeven of niet.
Wij zijn geliefde kinderen van God en God laat niet los wat Hem toebehoort.
Onze namen zijn in Zijn handpalm gegraveerd.
Zijn liefde voor ons is niet afhankelijk van gevoelens of een slechte dag.
Laten wij ons dan uitstrekken naar meer standvastigheid in ons leven.
Laten we vertrouwen op Hem, op Zijn woord, en gebruik maken van de kracht die in ons is.
Hij heeft het niet voor niets aan ons gegeven!

Moge de God van onze Heer Jezus Christus,
de Vader der heerlijkheid,
u geven de Geest van wijsheid en openbaring,
tot kennis van Hem.
Moge Hij verlichten de ogen van uw hart,
zodat ge zult weten welke de hoop is waartoe Hij roept,
wat de rijkdom is van de heerlijkheid van Zijn erfdeel onder de heiligen
en wat de allesovertreffende grootheid is van Zijn macht aan ons die geloven.
Met dezelfde werking van de sterkte van Zijn macht heeft Hij gewerkt in de
Christus toen Hij Hem opwekte uit de doden en deed zetelen aan Zijn rechterhand
in de hemelse regionen, ...

Efeze 1:17-20
NB

1 Kolossenzen 1:16; Spreuken 16:4; Psalm 89:6-12; Psalm 139:1-16; Mattheüs 10:30; Psalm 19:8-10; Exodus 34:6; Psalm 91; Psalm 121; Psalm 114; Johannes 3:16; Mattheüs 26-28; Openbaring 1:8


Lieve Vader in de hemel.
Vergeef ons, dat het de boze soms toch lukt om ons angst aan te jagen door ons het leven zuur te maken.
Vergeef ons, dat we ons soms nog zo in de luren laten leggen door hem met al zijn leugens, waardoor we vergeten wie we zijn in U en dat Uw kracht in ons is.
U bent zoveel maal groter en machtiger dan hij; wat zeg ik, hij kan niet eens wat doen tenzij hij het van U mag.
Al zijn ‘wonderen en tekenen’ zijn niets meer dan kopieën van Uw werk.
Hij briest en snuift; help ons om daar niet op te letten, maar te zien op wie U bent en op Uw opstandingskracht in ons.
U hebt ons Uw Geest van kracht gegeven, laten wij hem niet te begraven onder van alles en nog wat.
Open onze ogen.
Verlicht ons verstand.
Doe ons zien.
En leer ons leven.
Vanuit Uw kracht.

In Jezus’ Naam.
 
- Amen -


Hij die in de wereld is,
briest, schreeuwt en gaat te keer.
En soms legt hij ons het vuur aan de schenen,
in de hoop dat iemand zich tegen God keert.

Maar opent U toch onze ogen, Heer,
en verlicht ons verstand.
Doe ons steeds beseffen:
we zijn veilig in Uw hand.

In Uw  Naam en door Uw kracht
strijden wij de te strijden strijd.
Want U bent groter en machtiger;
U bent het die ons bevrijdt.

Laten we ons hoofd omhoog houden
en strijden met koninklijke waardigheid.
Want op onze schouders ligt Zijn kleed,
het kleed van rechtvaardigheid.

Gods rijke zegen 
en een liefdevolle groet,
Rita


Maar al moet u nog korte tijd lijden, God, de bron van alle genade, heeft u geroepen om in Christus Jezus deel te krijgen aan zijn eeuwige luister.
God zal u sterk en krachtig maken, zodat u staande zult blijven en niet meer zult wankelen.
Hem komt de macht toe, voor eeuwig.

- Amen -

1 Petrus 5:10,11


zondag 12 augustus 2012

Week 33 - Strijd

De eeuwige God is voor u een woning,
en onder u zijn eeuwige armen.
Hij verdrijft de vijand voor u uit,
en zegt: Vaag hem weg!
HSV

Van oudsher is God een schuilplaats,
zijn armen dragen u voor eeuwig.
Hij dreef uw vijand op de vlucht
en droeg u op: “Vernietig hem!”
NBV

Deuteronomium 33:27


Op de kalender van Beth Moore, van waaruit ik al deze stukjes en gedichten schrijf, worden we geleid naar David en Goliath.
We worden opgeroepen om onszelf als het ware te zien als de herdersjongen David die het op durft te nemen tegen de reus Goliath en onszelf de vraag te stellen, waardoor het kwam dat David het tegen hem op durfde te nemen.
Het antwoord staat er achter, maar als we zelf eens heel goed hiernaar gaan kijken en tot ons door gaan laten dringen, dan is het niet meer een antwoord wat je zomaar er achteraan leest, maar waarvan de diepte ook tot je door gaat dringen en waardoor je gaat beseffen dat vele van onze vijanden in wezen Gods vijanden zijn en dan wordt de strijd toch wel even heel anders.
Het is echter wel zo, dat als je je daarvan niet bewust blijft, het wegebt en je het zicht verliest op deze realiteit.
Ik ervaar het dan ook als heel goed om hier weer bij terug te worden gebracht; wat zeg ik, goed om hier weer bij terug te worden gebracht?
Mijn hart is opgewonden, want het brengt mij terug bij 1 Samuël 17:45b waar staat: ‘…,maar ik kom naar u toe in de Naam van de HEERE van de legermachten, de God van de gelederen van Israël, Die u gehoond hebt.’

*David, de kleine, rossige herdersjongen, werd door zijn vader naar zijn broers gestuurd om eens te kijken hoe het met hen is.
Zij waren met Koning Saul en de andere mannen van Israël ten strijde getrokken tegen de Filistijnen en hadden hun kamp opgeslagen in het Eikendal; de Filistijnen lagen tegenover hen gelegerd.

Iedere dag verscheen daar een kampvechter uit het kamp van de Filistijnen; een reus van een kerel van wel bijna drie meter lang.
Hij droeg een bronzen helm op zijn hoofd en droeg een borstpantser van schubben dat wel 50 kilo woog.
Bronzen platen bedekten zijn benen en een bronzen werpspies/kromzwaard hing over zijn schouder.
De schacht van zijn lans leek wel een boom uit een weefgetouw en de ijzeren punt woog ongeveer zes kilo en een schilddrager liep voor hem uit.
Al met al dus een zeer imposante gestalte.
Het bleef echter niet alleen bij het verschijnen, want iedere dag opnieuw, wel 40 dagen lang,’’s morgens en ’s avonds, hoonde hij het volk Israël, daagde hen uit en dreef de spot met hen.
En bij het horen van zijn woorden werden de Israëlieten erg bang.

David was de jongste van de acht zonen die Isaï had en hij werd door zijn vader erop uit gestuurd om eens polshoogte te nemen bij zijn broers en op een levensteken van hen mee naar huis te nemen.
Het was heel vroeg in de morgen toen David van huis vertrok en toen hij aankwam bij de plaats waar zijn broers gelegerd waren, was dat precies op het moment dat de beide legers in de gevechtslinie tegenover elkaar stonden.
David liet de spullen die hij van zijn vader had meegekregen snel achter bij één van de bewakers en liep snel naar de gevechtslinie.
Daar aangekomen vroeg hij zijn broers hoe het met hen ging en net terwijl hij met hen sprak, verscheen Goliath ten tonele.
En David hoorde de woorden die Goliath, dag in, dag uit, sprak.

Wat mij dan diep raakt en wat voor ons allemaal een geweldig voorbeeld is, zijn de woorden die David vervolgens spreekt. (vers 26)
‘Wat zal men de man doen die deze Filistijn verslaat en de smaad van Israël afwendt? Want wie is deze onbesneden Filistijn wel, dat hij de gelederen van de levende God durft te honen?’

Het lijkt wel alsof David helemaal niet ziet hoe groot die Goliath eigenlijk wel is, noch de uitrusting die hij draagt; hij schijnt alleen de woorden te horen die deze reus spreekt en in plaats van dat het hem angst aanjaagt, raken deze woorden zijn hart om de honende, spottende toon.
Zij, het volk Israël, zijn Gods volk, het uitverkoren volk!
Niemand mag zo tegen hen spreken!
En David raakt zeer ontstemd.

Saul hoorde van David, van zijn vragen en riep hem bij zich.
En opnieuw raken mij de woorden die David spreekt.
‘Laat geen mens vanwege hem de moed laten zinken.
Uw dienaar zal gaan en met deze Filistijn vechten.’

Ik kan me zo voorstellen hoe dit tafereel eruit moet hebben gezien.
David, de herdersjongen, die daar voor de koning staat; een koning waarvan geschreven staat dat, toen hij tot koning werd gezalfd (1 Samuël 9:2), hij een flinke, knappe jongeman was en dat niemand in Israël zo knap was als hij en ook met kop en schouders boven iedereen uitstak.
En dan komt daar zo’n kleine, jonge knul de koning vertellen, dat hij met die reus zal gaan vechten.
Het is dan ook niet verwonderlijk dat Saul hem hiervan wil weerhouden.

‘Jij, jij kunt toch niet met die Filistijn gaan vechten!
Je bent nog maar een jongen!
Hij, die Filistijn is een geboren vechter.
Heb je hem eigenlijk wel goed bekeken, jongeman?
Heb je wel gezien hoe groot hij is en wat voor uitrusting hij draagt?
Ach jongen toch, dat is toch niets voor jou, je bent maar een herdersjongen, een knulletje wat nog de schapen hoedt voor zijn vader.
Ga toch terug naar huis en laat het vechten maar aan ons over.

Maar David laat zich door niets en niemand van de wijs brengen.
Hij somt even op met welke gevaren hij al te maken heeft gehad met het hoeden van de schapen en laat zien, dat hij totaal niet bang is, noch geïmponeerd door Goliath’s verschijning.
Opnieuw raken mij zijn woorden en zijn geloof dat hierin doorklinkt: ‘De HEERE, Die mij uit de klauwen van de leeuw gered heeft en uit de klauwen van de beer, Die zal mij redden uit de hand van deze Filistijn.’
Met andere woorden: ik hoef het niet te doen, God zal voor mij strijden!

Saul trekt David nog zijn eigen kleding en wapenrusting aan, maar David is dat niet gewend en kan zich er nauwelijks in bewegen.
Snel trekt hij alles uit, en gaat zoals hij is.
Hij zoekt 5 gladde stenen uit de beek en stopt ze in zijn herderstas; zijn slinger neemt hij in de hand en zo loopt hij op Goliath toe.
Goliath verachtte hem, zegt Het Woord, omdat hij nog maar een jongen was en hij vervloekte David bij zijn goden.
Goliath daagt David uit: ‘Kom maar op, ik zal zorgen dat je het eten wordt van de aasgieren en roofdieren.

De kleine herdersjongen staat oog in oog met de reus, maar nog steeds laat hij zich door hem geen angst aanjagen.
En hij, deze kleine jongen, spreekt:

‘U komt naar mij toe met een zwaard, met een speer en met een werpspies, maar ik kom naar u toe in de Naam van de HEERE van de legermachten, de God van de gelederen van Israël, Die u gehoond hebt.
Op deze dag zal de HEERE u in mijn hand overleveren.
Ik zal u verslaan en uw hoofd van u wegnemen.
Ik zal deze dag de dode lichamen van het leger van de Filistijnen aan de vogels in de lucht geven en aan de dieren van de aarde, en heel de aarde zal weten dat Israël een God heeft.
En deze hele gemeente zal weten dat de HEERE niet door zwaard of door speer verlost, want de strijd is van de HEERE.
Hij zal u in onze hand geven.

En terwijl ze op elkaar toelopen, pakt David één van de stenen die hij heeft meegnomen, stopt hem in de slinger en gooit de steen naar de reus en raakt hem precies midden in het voorhoofd.
En Goliath stort op de aarde neer, waarna David hem het hoofd afhakt met zijn eigen zwaard.

David, een kleine herdersjongen, maar met de moed van een reus.
Waar kwam die moed vandaan?
Waarom werd hij niet bang net als al die andere Israëlieten?
Wat zag hij wat zij niet zagen?
Wat hoorde hij wat zij niet hoorden?

Er zijn een paar dingen die mij diep raken in dit stukje en die mij opnieuw doordringen van het feit, dat, al dan wel of niet sterk en krachtig zijn, moed en vertrouwen hebben, afhankelijk zijn van hoe wij kijken, op wie of wat wij zien.

- … Wie is deze onbesneden Filistijn wel, dat hij de gelederen van de levende God durft
   te honen?
- Laat geen mens vanwege hem de moed laten zinken.
- De HEERE, Die mij uit de klauwen van de leeuw gered heeft en uit de klauwen van de
   beer, Die zal mij redden uit de hand van deze Filistijn.
- …, maar ik kom naar u toe in de Naam van de HEERE van de legermachten, de God
   van de gelederen van Israël, Die u gehoond hebt.

Met andere woorden: Ik (David) zie die reus wel, maar hij heeft het lef om Gods kinderen te beschimpen.
De moed laten zakken?
Kom op zeg, ben je vergeten wie onze God is?
God heeft mij gered van beren en leeuwen, en Hij zal mij ook redden van die Filistijn,
want in Zijn Naam ga ik op de gast af!
David ziet voorbij de reus Goliath, hij ziet God!
David ziet voorbij die imponerende gestalte, Hij ziet de grootheid en de almacht van zijn God!
David hoort de woorden, maar zijn hart raakt verbolgen en doet pijn om God, om Gods volk, waartoe hij behoort.
Hij weet wie hij in God is, wie God voor hem is en hij gelooft en vertrouwt!
Maar David besefte ook, dat Goliath niet alleen hun vijand was, maar boven alles Gods vijand was.
In wezen werd niet het volk Israël uitgedaagd, maar God zelf.

De boze komt vaak met een heleboel bombarie op ons af.
Hij is erop uit om ons bang te maken, klein te maken, zodat we lam gelegd worden en vergeten om onze wapens op te nemen en te strijden.
Want hij weet, dat als wij gaan staan in de positie die we gekregen hebben met dat we tot geloof gekomen zijn, namelijk Zijn erfgenamen, Zijn kinderen, Zijn eigendom, hij geen schijn van kans maakt.
Want in Hem zijn wij meer dan over winnaar!; zegt Gods woord.
Daarom zijn de wapens die we van Hem hebben gekregen ook geestelijke wapens, want de echte strijd die we hebben te voeren is een geestelijke strijd.
We moeten leren kijken met andere ogen, met geestelijke ogen en dat is wat David deed.
En dan gaan we zien, dat veel gevechten die we te leveren hebben in het dagelijks leven eigenlijk niet om ons zijn of tegen ons, maar tegen God.
In Zijn Naam en in Zijn kracht moeten we leren gaan staan en strijden en daarin moeten we niet vergeten dat Hijzelf voor ons uitgaat om met en voor ons te strijden.
Hij laat ons nooit alleen!
De tekst waarmee dit stukje begint zegt dat God Zelf de vijand voor ons uitdrijft en Hij draagt ons op om de vijand te vernietigen.
We hoeven daarin nooit bang te zijn of de moed te verliezen, want Hij is ons tot een woning, een schuilplaats en Zijn eeuwige armen zijn onder ons, dragen ons!

David toonde ons wat er kan gebeuren als wij op God zien in plaats van op onze vijand.
En onze vijand komt in vele vormen en omstandigheden, maar als we in alles op God blijven zien en op Hem onze hoop en vertrouwen vestigen, net als David, dan zullen we ook net als David, onze vijand overwinnen en verslaan.




O, lieve vader in de hemel, mijn hart brandt van vuur door deze woorden van U.
Het brandt van dankbaarheid, om wat U ons aanreikt door ons deelgenoot te maken van wat U in en door Davids leven heen hebt gedaan.
Het brandt van liefde voor U, van verlangen om in het de praktijk te brengen, om niet meer op mijn ‘vijanden’ te zien, maar op U.
Ik bid U met heel mijn hart om geestelijke ogen, om ogen die zien wat achter de dingen die gebeuren ten grondslag ligt, de werkelijke vijand te kunnen zien.
Mijn hart verlangt, mijn hart brandt, voor U, voor wie U bent en voor wat U allemaal heeft gedaan.
Mijn hart verlangt ernaar, brandt, om het door te geven.
Om ook anderen aan te sporen om op U te zien en niet op omstandigheden of wat dan ook.
U bent God, de Almachtige!
De Eeuwige, die was, is en komt!
Die alles vast in handen heeft!
U bent het, onze alles in al.
U bent onze schuilplaats, onze woning; Uw armen, Uw eeuwige armen, zijn onder ons.
O Vader God, U komt toe alle lof en eer.
Maak dat mijn hart net zo verbolgen raakt als dat van David als Uw Naam, Uw eer, in het gedrang komt en leer mij daarin om net als David op de juiste wijze te reageren.

In Jezus ‘Naam.

- Amen -




Zie de vijand in de ogen,
ontdek tegen wie je werkelijk vecht.
Treed hem tegemoet in de Naam
van de Heer der legermachten
en zie hoe Hij voor jou
de strijd beslecht.
Laat je geen angst aanjagen
door zijn tomeloze
en uitdagend gepraat.
Zie op Hem,
ga in Zijn Naam
en onthoudt te allen tijd,
dat Hij naast je staat.
Laat de moed niet zakken,
hoe hevig de strijd ook is.
God zal met en voor je strijden,
ja, zeker en gewis.

©Rita Klapwijk

* 1 Samuël 17

zondag 1 april 2012

Week 14 - Overwinnend

‘U komt op me af vertrouwend op zwaard, lans en kromzwaard,’ antwoordde David. ‘Maar ik kom op u af vertrouwend op de almachtige Heer, de God van de slagorden van Israël.
U hebt Hem uitgedaagd.

Maar David zei tegen de Filistijn: U komt naar mij toe met een zwaard, met een speer en met een werpspies, maar ik kom naar u toe in de Naam van de HEERE van de legermachten, de God van de gelederen van Israël, Die u gehoond hebt.

1 Samuël 17:45

Jaren heb ik behoorlijk over deze tekst heen gelezen, in die zin, dat de diepte van de betekenis van deze tekst, aardig aan mij voorbij was gegaan, totdat ik eens het Boekje ‘Goliath de Baas’ van Max Lucado las.
Bovenstaande tekst werd aangehaald en belicht, en eigenlijk schrok ik ervan , dat ik dit al zo vaak had gelezen en tegelijkertijd over de diepe betekenis van deze tekst had heen  gelezen.

… maar ik kom op u af vertrouwend op de Almachtige Heer, de God van de slagorden van Israël.
… maar ik kom naar u toe in de Naam van de Heere van de legermachten, de God van de gelederen van Israël.

Wat zou ons leven er anders uitzien als we elke situatie, elke strijd, elk deel van ons leven zo tegemoet zouden treden.
Welk een overwinnend leven zou ons deel zijn …

Ik ga eerst nog even terug naar het begin van dit hoofdstuk.
Zowel de Filistijnen, als de Israëlieten, hadden hun troepen verzameld en hun kamp opgeslagen.
Allebei aan een kant van een berghelling en tussen hen in lag een dal.

Elke dag, wel 40 dagen lang, kwam er een kampvechter naar voren die de spot dreef met God en het leger van Israël.
Deze kampvechter, Goliath genaamd, was zeer imposant en joeg iedereen de stuipen op het lijf met zijn uiterlijk en zijn woorden.

Op een dag, precies op het moment dat Goliath verschijnt, is daar de jonge David, zoon van Isaï en de jongste van de acht, bij zijn broers in de gevechtslinie.
Hij ziet en hoort Goliath, maar hij hoort meer dan dat hij ziet.
In plaats van geïntimideerd te zijn door de verschijning van Goliath, is hij zeer verbolgen over hetgeen Goliath zegt.
Na wat over en weer gepraat met de soldaten en onenigheid met zijn broer over zijn vragen, wordt David bij Koning Saul geroepen en daar zegt hij: ‘Laat geen mens vanwege hem de moed laten zinken. Uw dienaar zal gaan en met deze Filistijn vechten.
Men probeert David er nog van te weerhouden, want men vindt hem te jong, te klein, te onervaren, maar David is vastberaden.
De Heere had hem eerder geholpen en David geloofde dat Hij dit opnieuw zou doen.
Saul wilde David nog toerusten voor deze strijd door hem zijn eigen gevechtstenue aan te trekken, maar David trok deze kleding weer uit, want hij kon er niet mee lopen.
Hij nam zijn staf, zocht 5 gladde stenen uit, die hij in zijn tas stopte, nam zijn slinger in de hand en liep op de Filistijn af.

Goliath keek op, zag David en verachtte hem, omdat hij nog jong was en hij laat dat ook duidelijk weten ook.
Hij beschimpt en vervloekt David, maar David laat zich, ook als hij oog in oog staat met Goliath, niet door hem intimideren, noch door zijn uiterlijk, noch door zijn woorden.
Hij antwoordt Goliath: ‘U komt op me af vertrouwend op zwaard, lans en kromzwaard, maar ik kom op u af vertrouwend op de almachtige Heer, de God van de slagorden van Israël. U hebt Hem uitgedaagd.’
( het hele verhaal van David en Goliath kun je lezen in 1 Samuel 17:1-54)

Ik denk dat een ieder van ons zo wel een strijd hebben te strijden.
Eigenlijk maakt het vlak waarop we strijden of hetgeen waar tegen we strijden helemaal niet uit.
De strijd is er en het is aan ons of we de strijd aangaan en als we hem aangaan, hoe we hem aangaan.

Ik was een verwoed rookster, wel een pakje sigaretten per dag en in tijden van stress nog wel meer.
Ook voor mij kwam het moment dat ik ervoer, dat God van mij vroeg om te stoppen en het roken te laten, voor Hem en omdat het beter was voor mijzelf.
Let wel: God vroeg het van mij, niet de mensen om mij heen die mij het leven af en toe zuur maakten met hun oordelen en opmerkingen!
Het heeft echter wel heel wat jaartjes geduurd en gekost voordat ik ook eindelijk kon zeggen dat ik was gestopt en niet meer rookte.
Een bijzonder verhaal op zich, wat ik met Goede Vrijdag ook op mijn site (Into Your Hands) wil plaatsen.
Vele pogingen had ik ondernomen en altijd was het: ‘Ik probeer te stoppen’, maar steeds opnieuw faalde ik.
Betrok ik God er niet bij?
Och, zeker wel, maar het was geen kwestie van ‘bid maar en het is weg en over’.
Ik weet wel, nu achteraf, waardoor het niet lukte, diep in mijn hart wilde ik het roken niet opgeven.
Het was geen kwestie van dat ik het niet kon, maar ik wilde het niet, want ik was bang voor de leegte, voor het gat, voor de kilo’s die er aan zouden komen.
Alleen al bij de gedachte ‘nooit meer’ kon ik al in ‘paniek’ raken.
Ondertussen voelde ik me bij iedere poging steeds schuldiger naar God toe, omdat het me maar niet lukte, dat mijn sigaret sterker was dan gehoorzaam  zijn aan Hem.
Wat heeft de boze mij aangeklaagd en het me moeilijk gemaakt!
Wat heb ik mij door hem laten intimideren en lam leggen!

Maar wat een geweldige God hebben we!
O ja, Hij zal ongetwijfeld veel verdriet hebben gehad om mij in dat proces, maar wat een liefdevolle en genadige God is Hij, dat Hij mij iedere keer weer vergaf en geduldig wachtte tot ik eindelijk mijn hoofd boog en gehoorzaam de weg ging van wat Hij mij gevraagd had.
D.V. 6 april - Goede Vrijdag 2012 – wordt het 5 jaar dat ik gestopt ben.
Het was niet makkelijk, maar die ‘Goede Vrijdag’ in 2007 ben ik de strijd aangegaan, zoals David de strijd aanging met Goliath.
Mijn rookverslaving was mijn Goliath (wist ik toen nog niet, hoor).

In de jaren die achter me liggen zijn er nog heel wat Goliath’ s in mijn leven voorbij gekomen en er zullen er ongetwijfeld ook nog heel wat komen.
De tijd waarin we leven wordt er immers niet makkelijker op.
Steeds meer en steeds vaker zullen we geconfronteerd worden met dingen die tegen God en Zijn woord ingaan en zullen we daarin keuzes moeten maken.
De verleidingen van deze tijd zijn groter dan ooit te voren en satan doet meer dan ooit zijn best om ons, kinderen van de Allerhoogste, te verleiden en het ons zo moeilijk mogelijk te maken.
Zijn tijd op aarde raakt op en hij gaat rond als een briesende leeuw op zoek naar wie hij kan verslinden.

De vraag is: ‘Laten we ons verslinden of laten we ons, net als David, niet intimideren en gaan we, met opgeheven hoofd, de strijd aan?’

… maar ik kom op u af vertrouwend op de Almachtige Heer, de God van de slagorden van Israël.
Maar ik ga op iedere strijd af – welke dan ook – in de Naam van de Almachtige Heer!
… maar ik kom op u af vertrouwend op de Almachtige Heer en God van Israël.
Maar ik ga iedere strijd aan – hoe groot en ontzagwekkend ook – in het volste vertrouwen in God, dat Hij mij zal helpen en de overwinning zal geven!

Op wie is ons vertrouwen?
Op wie zien wij?
Wie of wat zien wij als wij onze ‘Goliath’ in de ogen kijken?
Zien we de Almachtige God van Israël of zien wij alleen de omvang van onze strijd?
Is God voor ons De Levende God, die voor ons uitgaat en voor ons strijd?
Of is Hij Degene Die er wel voor anderen is maar niet voor jou?

David’ s vertrouwen in God ging nog verder dan alleen het uitspreken van zijn vertrouwen in God in het aangaan van deze strijd, hij zei namelijk ook: ‘Op deze dag zal de HEERE u in mijn hand overleveren…’
Whauw!
David vertrouwde er niet alleen op dat God hem helpen zou, maar hij stapte ook in die strijd gelovende dat God hem de overwinning zou geven!

Goliath vertrouwde voor zijn succes op zijn zwaard en op zijn speer.
David vertrouwde voor zijn succes op God.
Beiden spraken met evenveel overtuiging, maar er is maar Eén ware en levende God en op Hem vertrouwde David.
In Zijn Naam ging en streed hij.
En overwon!




Lieve Vader, wat kunnen wij ontzettend veel leren van deze jonge David.
Wat was zijn geloof en vertrouwen in U groot.
Het maakt mij stil, Here, te zien hoe hij zich niet laat intimideren door Goliath, maar Uw Grootheid, Uw Almacht, torenhoog boven Goliath uitziet.
Hij hoort hoe U, en het volk Israël, wordt beschimpt en gehoond en hij kan het niet over zijn kant laten gaan.
Hij ziet geen onoverwinnelijke reus, hij ziet alleen het kwaad, dat overwonnen moet worden en iemand moet dat doen.
En aangezien er niemand van de soldaten was die durfde, stond hij op om de reus zijn mond te snoeren, voor U en voor het volk.
Lieve Vader, wij hebben zo allemaal wel een strijd te strijden vroeg of laat en ik bid U, met heel mijn hart, dat U ons deze woorden van David dan te binnen brengt, zodat wij ons niet zullen laten intimideren, maar dat wij alles tegemoet zullen treden in Uw Naam en erop vertrouwend dat U ons de overwinning geeft.
Zo, Here, zullen we ons eigen ‘Goliathverhaal’ krijgen; waarop we terug mogen zien als we het moeilijk hebben of een nieuwe strijd hebben te strijden.
Zo, Here, kunnen we getuigen van Uw Grootheid en Uw Almacht en het zal ons tot kracht en sterkte zijn in moeilijke tijden.
Want U bent geen veranderlijke God, maar Dezelfde tot in alle eeuwigheid.
U hielp David, zijn gehele leven door, U hebt mij tot hier toe geholpen en U zal het blijven doen, zolang ik leef.
Dank U wel, Vader, voor zoveel liefde en genade.
Dank U wel voor wie U bent, voor wat gedaan heeft en nog zal doen.
Ik prijs Uw grote Naam.
Halleluja.

– Amen –




Intimiderend is zijn omvang,
zo ook de stampij
die hij zo graag maakt.
In alles is hij erop uit,
om mij het onderspit te doen delven
of ervoor te zorgen dat ik mijn strijd staak.

Groot is zijn misbaar,
ongeëvenaard de angst die hij mij
probeert aan te jagen.
Hij zet alles op alles
om mij onderuit te schoppen,
in de hoop en verwachting
dat hij daar zeker in zal slagen.

En zo belaagt hij mij,
beukt hij erop los,
keer op keer, dag na dag.
Dan komt Gods woord tot mij
en ik hervind in Hem mijn kracht
doordat ik opnieuw mag zien
wat ik in Hem vermag.

Zo wil ik voortaan leven
en op elke strijd afgaan in de Naam
van de Heer der legermachten.
Ziende op Hem,
kan ik iedere strijd aan
en op grond van Zijn Naam
de overwinning verwachten.

©Rita Klapwijk