Posts tonen met het label moed. Alle posts tonen
Posts tonen met het label moed. Alle posts tonen

zondag 21 april 2013

Week 17 - Afwijzing

… wij worden vervolgd, maar niet verlaten; neergeworpen, maar niet te gronde gericht.
Wij dragen altijd het sterven van de Heere Jezus in het lichaam mee, opdat ook het leven van Jezus in ons lichaam openbaar wordt.
HSV

… we worden vervolgd, maar niet aan ons lot overgelaten; we worden neergeslagen, maar komen niet om.
Altijd dragen we het sterven van Jezus in ons lichaam mee, om ook het leven van Jezus in ons lichaam zichtbaar te laten worden.
GNB

2 Korinthiërs 4:9,10

Toen ik afgelopen zondag het blaadje van de kalender omsloeg naar de volgende en het woord afwijzing zag, gingen er heel wat gedachten en emoties door mij heen.
Er is zoveel gebeurd.
Zowel persoonlijk, als aan onze kinderen.
Rauwe, diepe wonden -zichtbaar en verborgen- nog altijd aanwezig.
Diepe sporen van pijn en verdriet.
Achtergebleven littekens.
En kwetsbaar, o zo kwetsbaar …

Jarenlange afwijzing doet wat met een mens, met zijn zelfbeeld, zijn karakter, wie en hoe hij is, was …
Zo ingrijpend, zo pijnlijk en kwetsend, zo vernederend, zo vernietigend …
Ja, in God, in Christus is er herstel, genezing en aanvaarding te vinden, maar daar gaat vaak een lange weg aan vooraf.
Ja, Bijbelteksten bidden, zoals er op het kalendertje staat, kan je veel kracht geven, maar …
Ja, er is een maar, want soms kun je dat gewoonweg niet.
Ben je zo kapot gemaakt dat het enige dat je nog uitbrengen kunt is een heel zacht ‘help’ naar boven, of zelfs ieder woord van je mond is verstomd.
Soms is de vernietigende werking van afwijzing zo groot en zo sterk, dat je niet meer verder kunt, niet meer verder wilt.

Afwijzing.
Als we ons echt bewust zouden zijn van wat allemaal onder afwijzing valt, en wat de gevolgen daarvan (kunnen) zijn en soms gewoon simpelweg de gevolgen zijn, dan vraag ik me af of we nog zo makkelijk onbedacht dingen zouden zeggen of doen.
Ook hier steek ik mijn hand in eigen boezem, want met hoeveel afwijzing ik persoonlijk ook te maken heb gehad, en hoe ik er ook op probeer te letten, zonder me er soms op zo’n moment van bewust te zijn heb ik al iets gezegd of gedaan, wat in wezen de ander afwijst.

Een aantal jaar geleden heb ik voor een studieochtend met onze kleine vrouwengroep de toespraak van Margreet van Straalen over afwijzing - 'Van afwijzing naar aanvaarding' -  volledig uitgetypt.
Praktisch woordelijk.
Het was een hele klus, maar het werkte voor mij tegelijk heel genezend.
Deze toespraak staat ook op mijn oude ‘Into Your Hands’-site, maar gezien de enorme impact en vernietigende werking die afwijzing kan hebben, plaats ik deze toespraak, die ik met toestemming van Margreet op mijn site mocht plaatsen, ook op deze site.

Deze toespraak heet: ‘Van afwijzing naar aanvaarding’ en is nog steeds te verkrijgen bij Nehemia Ministries.
Zowel op CD als ook direct te downloaden op (of is het via?) MP3.

In deze toespraak gaat Margreet uitgebreid in op de vele aspecten die met afwijzing te maken hebben.
De toespraak duurt een klein uurtje, dus je begrijpt dat het ook een heleboel tekst is.
Maar als je leven vastloopt, of je dreigt vast te lopen, door de gevolgen van afwijzing, stel je zelf dan eens de vraag: ‘Wat is een uurtje van je leven ten opzichte van de tijd die je nog rest hier op aarde?’
Ik wil hiermee niet impliceren dat na het luisteren of lezen van deze toespraak je genezen bent, absoluut niet, maar als je er voor openstaat ligt er wel een weg naar genezing in.

Soms zul je extra hulp van buitenaf nodig hebben, en daar is niets mis mee.
Ja, God kan genezen; één knip van Zijn vingers is genoeg, één woord van Zijn mond, maar soms is het gewoon goed om gebruik te maken van de hulp van een ander.

Twijfel niet aan Gods liefde voor jou!

Nee, ik heb geen antwoord op de vraag waarom God bij de één ingrijpt en bij de ander niet.
Waarom de één door één gebed genezing ontvangt en de ander bidt z’n knieën kapot zonder zichtbare genezing te ontvangen.
Nee, ook ik begrijp er niets van hoe God al het leed op de wereld aan kan zien zonder in te grijpen, noch hoe Hij het geschreeuw aan kan horen van alle kinderen die worden misbruikt of mishandeld.
Net zo min als jij kan ik God begrijpen.
Zijn wegen zijn hoger dan onze wegen en Zijn gedachten zijn hoger dan onze gedachten.
Maar ik weet dat Hij een rechtvaardige God is, die zal vergelden, die zal oordelen, die wraak zal nemen over al het onrecht dat in de wereld gebeurt, wat Zijn kinderen wordt aangedaan.
Mij komt de wraak toe, zegt Hij!
Tot de dag dat de Here Jezus terugkomt, zullen we leven in deze gebroken wereld vol van duisternis, haat en nijd, pijn en verdriet.
Een wereld waarin de boze het voor het zeggen heeft; nog wel …

Niemand kan beseffen, laat staan bevatten hoe enorm groot Gods pijn en verdriet moet zijn als Hij naar de wereld kijkt, noch Zijn boosheid, Zijn toorn, over alle zonden en onrecht.
Als we de Bijbel lezen kunnen we een kleine glimp opvangen van deze dingen.

Misschien heb je voor je gevoel geen geloof meer (over) om nog in je Bijbel te lezen, noch om Zijn woorden aan te nemen, zo murw of verslagen ben je.
Toch wil ik je aanmoedigen om de verbinding met God open te houden, al is het maar door het uitschreeuwen van het ene kleine woordje ‘Help!’ naar boven.
Hij hoort het en zal je helpen!
Houdt vast aan Hem, al is het door dit ene kleine woordje!
Vroeg of laat komt Hij je te hulp!
Misschien duurt het je allemaal te lang, en geloof me, ik ken dat gevoel, toch zal Hij uitkomst geven, want Hij heeft het in Zijn woord beloofd!
Daarnaast is er Iemand die voor je bid en pleit bij de Vader.
Jezus Zelf bidt voor jou!
De Heilige Geest bidt en pleit voor jou!
Met onuitsprekelijke verzuchtingen!
Ik ben een gevoelsmens, en was dat dus ook in mijn geloofsleven.
Als ik Hem voelde, ervoer, dan was het goed, maar als er stormen kwamen en dat gevoel verdween, dan zat ik in een diep, donker dal waar ik niet wist hoe ik eruit moest komen.
Mijn leven was als het lied: ‘Op bergen en in dalen, ja, overal is God’.
Ja, God was overal, ook in die dalen en menigmaal heeft Hij mij daar weer uit gehaald, maar wat heeft het lang geduurd voor ik begreep, en kon accepteren, dat geloven meer dan alleen voelen, ervaren is en dat dat geen huichelarij is, maar het aannemen en leven vanuit wat God zegt in Zijn woord.
Ik vond het ook zo heerlijk om op die bergtoppen te zitten, dat ik die dalen voor lief nam, en ik begreep niet hoeveel rijker ik zou zijn als ik ongeacht mijn gevoelens, zou kunnen leven op grond van Zijn woord.
Vandaar dat Gods woord voor mij zo belangrijk is geworden.
Ik heb ontdekt, dat Gods woord uitspreken, uitbidden, iets in mij verandert.
Het doet werkelijk iets, het werkt werkelijk iets uit!
Het doet er niet toe of ik het voel of niet.
Gods woord onderzoeken, ervan leren, het mij toe-eigenen door het hardop uit te spreken als een gebed, als een proclamatie, er op gaan staan als zijnde de waarheid omdat God het is Die het zegt, maakt mijn geloof krachtig, maakt mij sterk en weerbaar tegen de boze.
Als de wapenrusting spreekt over Gods woord als een schild waarop alle brandende pijlen van de boze zullen doven, dan zullen we Gods woord ook wel moeten kennen anders kunnen we het niet als een schild gebruiken.

Misschien heb je nu wel zoiets van: ‘ … maar Gods woord doet me nu helemaal niets. Ik lees, maar het zeg me niets, doet me niets (meer). ’t Is zinloos; ’t lijkt zo zinloos …’
In mijn wanhoop jaren geleden heb ik de keus gemaakt om tegen alles wat mijn gevoel of gedachten zeiden in te gaan.
Ik verkeerde in een enorme strijd waarin ik het onderspit aan het delven was en waarin mijn gezin meegesleept werd.
Ik kon er niets tegen doen; het was alsof het buiten mij om gebeurde, alsof ik een speelbal in de handen van de boze was.
Toen kwam ik op Internet ‘Het geestelijk strijdend gebed’ tegen.
Ik wist niet of het zoals het daar allemaal instond, ook zo was, en ik wist ook niet of het wel zou ‘werken’ als ik het zou bidden zonder erin te geloven, maar ik was ten einde raad en ben het gewoon gaan bidden.
Ik heb het tegen God gezegd: ‘Heer, ik weet het niet meer. Ik kan niet meer en ik weet niet of dit zo is, of zo werkt, daar is mijn kennis, en mijn geloof te klein voor, maar hier ben ik en ik ga dit gebed bidden; wilt U het doen.’
Het is een lang gebed, wel tien minuten ongeveer, maar of ik nu geloofde of niet, het werkte werkelijk wat uit en heeft mij bevrijd en is het begin geworden van leren geloven niet op basis van mijn voelen of ervaren, maar op grond van Zijn woord.
En daarin ligt ook de weg van genezing en bescherming van afwijzing.

Gods woord is en blijft het antwoord op alle afwijzing die wij in het leven tegen gekomen zijn of tegenkomen.
Want afwijzing zal er altijd zijn zolang we hier op deze aarde leven.
Gods woord is en blijft het antwoord tegen alle leugens van de boze.
Bij Hem, en Hem alleen, is er genezing te vinden van alles wat ons is, of wordt, aangedaan.
Hij, de Here Jezus, is ons in alles voorgegaan.
Lees Zijn verhaal maar eens en zie hoe Hij is afgewezen, vernedert en uiteindelijk zelfs vermoord!
Vind troost en hulp bij Degene die weet wat jij voelt, waar jij doorheen gaat, meegemaakt hebt.
Zijn striemen, Zijn wonden, brengen ons genezing.





Lieve Vader in de hemel, niemand anders dan U hebt meer weet van de pijn, het verdriet, de ellende en de nood die er in deze wereld is.
Niemand meer dan U, ziet en hoort het geschreeuw van de talloze slachtoffers van welk geweld dan ook.
Niemand meer dan U hebt oog voor een ieder die hulp nodig heeft.
Niemand meer dan U, niemand meer dan U …
Vergeef ons, Vader, als we in onze onbezonnenheid U betichten van dat U er niet voor ons bent, dat U ons niet hoort of ziet.
Vergeef ons, dat we zo vaak te klein en te min van/over U denken en U zelfs de schuld geven van dingen, die eigenlijk in wezen door ons eigen toedoen zo zijn.
Vergeef ons, Vader, vergeef ons en open onze ogen voor wie U bent, voor Uw liefde en bewogenheid, voor wat U allemaal voor ons doet en gedaan hebt.
Ik bid U zo speciaal voor een ieder die het leven niet meer ziet zitten, die ten einde raad is.
Voor hen, die de moed hebben verloren om welke reden, of door welke oorzaak dan ook.
Voor hen, die niet meer kunnen bidden, voor wie de hemel van koper lijkt.
Voor hen, die geen woorden meer hebben, slechts tranen om te huilen.
Voor hen, die geen tranen meer hebben om te huilen, die dor en doods zijn van binnen.
Voor hen, die geen hoop, geen geloof meer hebben.
Voor hen, die zo te neergeslagen zijn dat ze op willen geven, of zelfs al opgegeven hebben.
Ik bid U, Vader, voor hen, voor een ieder van hen, met heel mijn hart en ziel, met al mijn kracht: ‘Ontfermt U over hen!
Ja, ontfermt U over hen!’
U kent een ieder van hen persoonlijk!
U weet wat een ieder van hen persoonlijk nodig heeft!
U weet wat er is gebeurt en U weet wat het men hen heeft gedaan en/of doet!
U weet, U ziet, U hoort, U voelt!
O Vader God, ontfermt U over een ieder van hen, hoofd voor hoofd en breng herstel en genezing!
Kom met Uw liefde in hun pijn en verdriet, met Uw troost, met Uw bemoedigingen!
Kom met Uw Geest en doorstroom een ieder van hen met nieuwe kracht!
Beur op die moedeloos zijn!
Veeg weg de tranen die het zicht op U tegenhouden, zodat ze U weer, of voor het eerst, kunnen zien.
Schenk tranen aan hen wiens tranen opgedroogd zijn, opdat er bevrijding kan komen van alle opgekropte pijn en verdriet en wees U allen nabij in dit gehele proces.
Kom, o God, kom!
Troost, herstel, genees!
Ontferm U, lieve Vader, ontferm U!
In Jezus’ Naam smeek ik U dit.
In Jezus’ Naam.
In Jezus’ Naam.

- Amen - 





Misschien heb je alle hoop verloren,
lijkt je leven doelloos,
uitzichtloos en zinloos.
Misschien heb je nooit anders gehoord
dan dat je voor het ongeluk
bent geboren.

Misschien ga je als een schim door het leven,
angstig, schichtig, schuw,
alsof je er niet mag zijn.
Misschien ben je alleen maar afgewezen,
en heeft niemand je ooit
liefde en geborgenheid gegeven.

Misschien sta je aan de rand van de afgrond,
slechts een klein zetje
is alles wat nog nodig is.
Misschien ben je moe gestreden en uitgeput,
weerloos, krachteloos,
en dodelijk verwond.

Laat dan alles los en geef het aan Mij.
Je worstelt en strijdt al zo lang.
Laat Mij je toch helpen.
Vertrouw Mij; Ik ben er voor jou.
Ook al zag of voelde jij het niet
Ik was echt overal bij!

Kom, Mijn kind, en vertrouw Mij maar.
Ik heb je nooit verlaten,
jouw pijn zit diep in Mij.
Het geknakte riet zal Ik nooit breken,
noch de walmende vlaspit doven.
Elk woord van Mij is waar.

Laat maar los, en laat Mij maar komen
in elk deel van je leven,
in elk verdriet, in elke pijn.
Wat dood is, wordt weer levend,
als Mijn genezende liefde
door jou heen mag stromen.

©Rita Klapwijk



zondag 10 februari 2013

Week 7 - Een kroon op hun hoofd in plaats van stof

 … om aangaande de treurenden van Sion te beschikken dat hun gegeven zal worden  sieraad in plaats van as, vreugdeolie in plaats van rouw, een lofgewaad in plaats van een benauwde geest, opdat zij genoemd worden eiken van de gerechtigheid, een planting door de HEERE, om Hem te verheerlijken.
HSV

… om aan Sions treurenden te schenken een kroon op hun hoofd in plaats van stof,
vreugdeolie in plaats van een rouwgewaad, feestkledij in plaats van verslagenheid.
Men noemt hen ‘Terebinten van gerechtigheid’, geplant door de HEER als teken van zijn luister.
NBV

Jesaja 61:3

De woorden uit Jesaja 52, de eerste 2 verzen, laten me niet los als ik aan het nadenken over de bovenstaande tekst en de woorden die op het kalendertje staan.

‘Word wakker, Sion, word wakker
en verzamel je krachten!
Jeruzalem, heilige stad,
kleed je in vol ornaat!
Wie onbesneden zijn of onrein,
zullen je poorten niet meer binnengaan.

Sta op, Jeruzalem,
schud het stof van je af
en neem plaats op je troon.
Gevangen bevolking van Sion,
ruk de ketenen van je hals.’

Maar eerst wil ik naar Lucas 4:18-21, waar de Here Jezus in de synagoge in Nazareth opgestaan was om de voorlezing te doen:

“De Geest van de Heere is op Mij, omdat Hij Mij gezalfd heeft; Hij heeft Mij gezonden om aan armen het Evangelie te verkondigen, om te genezen die gebroken van hart zijn, om aan gevangenen vrijlating te prediken en aan blinden het gezichtsvermogen, om verslagenen weg te zenden in vrijheid, om het jaar van het welbehagen van de Heere te prediken.
En toen Hij het boek dichtgedaan en aan de dienaar teruggegeven had, ging Hij zitten, en de ogen van allen in de synagoge waren op Hem gevestigd.
Hij begon tegen hen te zeggen: Heden is deze Schrift in uw oren in vervulling gegaan.”

Vers 18 en 19 zijn exact dezelfde woorden die Jesaja sprak in Jesaja 61:1,2, alleen met één groot verschil.
Jesaja sprak deze profetie uit over de Joden in Babylon en Jezus sprak deze woorden uit met het oog op de gehele wereld.
Jesaja profeteerde deze woorden, Jezus was de vervulling van deze profetie.

Vol van Gods Geest is Hij op weg gegaan en heeft gedaan wat Zijn Vader Hem had opgedragen.
Door het volbrachte werk van de Here Jezus aan het kruis op Golgotha is er bevrijding van de zonde mogelijk, kunnen we worden getroost, van blind ziende worden, van gebonden in de vrijheid komen.
Jezus is de Verlosser, waar de wereld op heeft gewacht vanaf het begin van de zondeval.
Jezus is de vervulling van Gods belofte.
Jezus is Gods genadegeschenk aan ons.
Jezus is Degene die gebroken harten heelt, troost wie treuren, vrijmaakt die gebonden zijn, die blind zijn weer laat zien.
Harten die gebroken zijn door de zonde, die gebukt gaan onder verdriet over de zonde, mensen die gebonden zijn door de macht van de satan, ogen opent voor de zonde.
Hij kwam om genade te schenken, te verlossen en te bevrijden, te helen en te genezen.
Een ieder die hun troost, hun bevrijding, hun verlossing niet in de wereld zoekt, maar bij Hem, zullen het vinden.

Aan hen die zo treuren, die hun smarten bij de troon der genade brengen, geeft Hij een sieraad in plaats van as, een kroon in plaats van stof.
Hun verdriet verandert Hij in vreugde, Hij geeft vreugdeolie in plaats van rouw; een lofgewaad in plaats van een benauwde, een kwijnende geest.

O, de Matthew Henry zegt het zo mooi:

‘Vreugdeolie, die het gelaat doet blinken in plaats van treuren.
Het gewaad des lof (lofgewaad) die prachtige klederen zoals die op dankdagen werden gedragen, in plaats van een benauwde geest.’

En dan komen mijn gedachten als vanzelf bij Jesaja 52:1,2; waar klinkt: ‘Word wakker, word wakker! Sta op, schudt het stof van je af!
Jezus is gekomen, we hoeven niet meer weg te kwijnen en onder het stof en de as te zitten.
Hij staat klaar met vreugdeolie, met een lofgewaad.
Hij wil ons bevrijden, genezen en herstellen.

Neem Zijn verlossing aan en schudt de ketenen van de gebondenheid van je af.
Hij heeft de satan overwonnen, de boze heeft geen macht meer over je als je Zijn verlossing aanneemt.

In mij dringt de boodschap om het uit te roepen; Word wakker, word toch wakker!
Sta op en schudt het stof van je af en neem je plaats in Zijn koninkrijk in!
Laat Hem je overgieten met de vreugdeolie en je gelaat zal gaan blinken.
Neem het lofgewaad van Hem aan en trek die prachtige klederen aan; het kleed van redding en de mantel van gerechtigheid.
En neem zo je plaats in in Gods koninkrijk, in Zijn wijngaard, als levende, sterke bomen, die vruchtdragen en Hem verheerlijken.

En dan kom ik uit bij wat er op het kalendertje* staat:

Welk een goddelijke wraak is het als God onze missers gebruikt om ons te vormen, waardoor Hij ons nog beter kan gebruiken.

Moge God de vijand beroven door uit het kwade zoveel goeds voort te brengen
dat satan er spijt van krijgt dat hij ons ooit tot zonde leidde.




Lieve Vader in de hemel.
Dank U wel, dat het met de zondeval voor U niet over en uit was met ons mensen, maar dat U de Here Jezus zond, Uw eigen Zoon, om voor ons te lijden en te sterven aan het kruis op Golgotha.
Dank U wel, voor dit onvoorstelbaar, grote genadegeschenk.
Dank U wel, dat U alles kunt gebruiken om ons te vormen, zodat we alleen maar bruikbaarder worden in Uw koninkrijk.
Al onze missers, al onze fouten en gebreken, kunt U gebruiken en er iets goeds uit doen voortkomen, als wij U Uw gang laten gaan en openstaan voor de leiding van Uw Heilige Geest.
Dank U wel, Heer Jezus, voor de kroon!
Dank U wel voor de vreugdeolie!
Dank U wel voor het lofgewaad!
Dank U wel voor de nieuwe naam!
Laat ons zo stralen van vreugde, Vader, in onze prachtige klederen die we hebben ontvangen, met onze nieuwe naam, tot eer en verheerlijking van die van U.
In Jezus’ Naam.

- Amen –




Word wakker en schud het stof van je af.
Verzamel je krachten en kleed je in je mooiste klederen.
Ruk in Zijn kracht de ketenen van je hals en sta op.
Neem je plaats in; je bent immers van koninklijk komaf.

Zie de Messias, Hij is gekomen om te verlossen en bevrijden,
Hij wil troosten hen die treuren, helen de gebrokenen van hart.
In Zijn hand is een kroon voor op je hoofd,
vreugdeolie, om je gezicht te doen stralen,
en een lofgewaad die de plaats inneemt van alle wanhoop en rouw.
Neem het aan, laat niets je nog langer van Hem scheiden.

Word wakker, sta op en ontvang een nieuwe naam.
Straal, weerspiegel wie Hij is in jou.
Wees sterk en draag veel vrucht.
Loof en prijs in alles Zijn heilige Naam.

©Rita Klapwijk

zondag 12 augustus 2012

Week 33 - Strijd

De eeuwige God is voor u een woning,
en onder u zijn eeuwige armen.
Hij verdrijft de vijand voor u uit,
en zegt: Vaag hem weg!
HSV

Van oudsher is God een schuilplaats,
zijn armen dragen u voor eeuwig.
Hij dreef uw vijand op de vlucht
en droeg u op: “Vernietig hem!”
NBV

Deuteronomium 33:27


Op de kalender van Beth Moore, van waaruit ik al deze stukjes en gedichten schrijf, worden we geleid naar David en Goliath.
We worden opgeroepen om onszelf als het ware te zien als de herdersjongen David die het op durft te nemen tegen de reus Goliath en onszelf de vraag te stellen, waardoor het kwam dat David het tegen hem op durfde te nemen.
Het antwoord staat er achter, maar als we zelf eens heel goed hiernaar gaan kijken en tot ons door gaan laten dringen, dan is het niet meer een antwoord wat je zomaar er achteraan leest, maar waarvan de diepte ook tot je door gaat dringen en waardoor je gaat beseffen dat vele van onze vijanden in wezen Gods vijanden zijn en dan wordt de strijd toch wel even heel anders.
Het is echter wel zo, dat als je je daarvan niet bewust blijft, het wegebt en je het zicht verliest op deze realiteit.
Ik ervaar het dan ook als heel goed om hier weer bij terug te worden gebracht; wat zeg ik, goed om hier weer bij terug te worden gebracht?
Mijn hart is opgewonden, want het brengt mij terug bij 1 Samuël 17:45b waar staat: ‘…,maar ik kom naar u toe in de Naam van de HEERE van de legermachten, de God van de gelederen van Israël, Die u gehoond hebt.’

*David, de kleine, rossige herdersjongen, werd door zijn vader naar zijn broers gestuurd om eens te kijken hoe het met hen is.
Zij waren met Koning Saul en de andere mannen van Israël ten strijde getrokken tegen de Filistijnen en hadden hun kamp opgeslagen in het Eikendal; de Filistijnen lagen tegenover hen gelegerd.

Iedere dag verscheen daar een kampvechter uit het kamp van de Filistijnen; een reus van een kerel van wel bijna drie meter lang.
Hij droeg een bronzen helm op zijn hoofd en droeg een borstpantser van schubben dat wel 50 kilo woog.
Bronzen platen bedekten zijn benen en een bronzen werpspies/kromzwaard hing over zijn schouder.
De schacht van zijn lans leek wel een boom uit een weefgetouw en de ijzeren punt woog ongeveer zes kilo en een schilddrager liep voor hem uit.
Al met al dus een zeer imposante gestalte.
Het bleef echter niet alleen bij het verschijnen, want iedere dag opnieuw, wel 40 dagen lang,’’s morgens en ’s avonds, hoonde hij het volk Israël, daagde hen uit en dreef de spot met hen.
En bij het horen van zijn woorden werden de Israëlieten erg bang.

David was de jongste van de acht zonen die Isaï had en hij werd door zijn vader erop uit gestuurd om eens polshoogte te nemen bij zijn broers en op een levensteken van hen mee naar huis te nemen.
Het was heel vroeg in de morgen toen David van huis vertrok en toen hij aankwam bij de plaats waar zijn broers gelegerd waren, was dat precies op het moment dat de beide legers in de gevechtslinie tegenover elkaar stonden.
David liet de spullen die hij van zijn vader had meegekregen snel achter bij één van de bewakers en liep snel naar de gevechtslinie.
Daar aangekomen vroeg hij zijn broers hoe het met hen ging en net terwijl hij met hen sprak, verscheen Goliath ten tonele.
En David hoorde de woorden die Goliath, dag in, dag uit, sprak.

Wat mij dan diep raakt en wat voor ons allemaal een geweldig voorbeeld is, zijn de woorden die David vervolgens spreekt. (vers 26)
‘Wat zal men de man doen die deze Filistijn verslaat en de smaad van Israël afwendt? Want wie is deze onbesneden Filistijn wel, dat hij de gelederen van de levende God durft te honen?’

Het lijkt wel alsof David helemaal niet ziet hoe groot die Goliath eigenlijk wel is, noch de uitrusting die hij draagt; hij schijnt alleen de woorden te horen die deze reus spreekt en in plaats van dat het hem angst aanjaagt, raken deze woorden zijn hart om de honende, spottende toon.
Zij, het volk Israël, zijn Gods volk, het uitverkoren volk!
Niemand mag zo tegen hen spreken!
En David raakt zeer ontstemd.

Saul hoorde van David, van zijn vragen en riep hem bij zich.
En opnieuw raken mij de woorden die David spreekt.
‘Laat geen mens vanwege hem de moed laten zinken.
Uw dienaar zal gaan en met deze Filistijn vechten.’

Ik kan me zo voorstellen hoe dit tafereel eruit moet hebben gezien.
David, de herdersjongen, die daar voor de koning staat; een koning waarvan geschreven staat dat, toen hij tot koning werd gezalfd (1 Samuël 9:2), hij een flinke, knappe jongeman was en dat niemand in Israël zo knap was als hij en ook met kop en schouders boven iedereen uitstak.
En dan komt daar zo’n kleine, jonge knul de koning vertellen, dat hij met die reus zal gaan vechten.
Het is dan ook niet verwonderlijk dat Saul hem hiervan wil weerhouden.

‘Jij, jij kunt toch niet met die Filistijn gaan vechten!
Je bent nog maar een jongen!
Hij, die Filistijn is een geboren vechter.
Heb je hem eigenlijk wel goed bekeken, jongeman?
Heb je wel gezien hoe groot hij is en wat voor uitrusting hij draagt?
Ach jongen toch, dat is toch niets voor jou, je bent maar een herdersjongen, een knulletje wat nog de schapen hoedt voor zijn vader.
Ga toch terug naar huis en laat het vechten maar aan ons over.

Maar David laat zich door niets en niemand van de wijs brengen.
Hij somt even op met welke gevaren hij al te maken heeft gehad met het hoeden van de schapen en laat zien, dat hij totaal niet bang is, noch geïmponeerd door Goliath’s verschijning.
Opnieuw raken mij zijn woorden en zijn geloof dat hierin doorklinkt: ‘De HEERE, Die mij uit de klauwen van de leeuw gered heeft en uit de klauwen van de beer, Die zal mij redden uit de hand van deze Filistijn.’
Met andere woorden: ik hoef het niet te doen, God zal voor mij strijden!

Saul trekt David nog zijn eigen kleding en wapenrusting aan, maar David is dat niet gewend en kan zich er nauwelijks in bewegen.
Snel trekt hij alles uit, en gaat zoals hij is.
Hij zoekt 5 gladde stenen uit de beek en stopt ze in zijn herderstas; zijn slinger neemt hij in de hand en zo loopt hij op Goliath toe.
Goliath verachtte hem, zegt Het Woord, omdat hij nog maar een jongen was en hij vervloekte David bij zijn goden.
Goliath daagt David uit: ‘Kom maar op, ik zal zorgen dat je het eten wordt van de aasgieren en roofdieren.

De kleine herdersjongen staat oog in oog met de reus, maar nog steeds laat hij zich door hem geen angst aanjagen.
En hij, deze kleine jongen, spreekt:

‘U komt naar mij toe met een zwaard, met een speer en met een werpspies, maar ik kom naar u toe in de Naam van de HEERE van de legermachten, de God van de gelederen van Israël, Die u gehoond hebt.
Op deze dag zal de HEERE u in mijn hand overleveren.
Ik zal u verslaan en uw hoofd van u wegnemen.
Ik zal deze dag de dode lichamen van het leger van de Filistijnen aan de vogels in de lucht geven en aan de dieren van de aarde, en heel de aarde zal weten dat Israël een God heeft.
En deze hele gemeente zal weten dat de HEERE niet door zwaard of door speer verlost, want de strijd is van de HEERE.
Hij zal u in onze hand geven.

En terwijl ze op elkaar toelopen, pakt David één van de stenen die hij heeft meegnomen, stopt hem in de slinger en gooit de steen naar de reus en raakt hem precies midden in het voorhoofd.
En Goliath stort op de aarde neer, waarna David hem het hoofd afhakt met zijn eigen zwaard.

David, een kleine herdersjongen, maar met de moed van een reus.
Waar kwam die moed vandaan?
Waarom werd hij niet bang net als al die andere Israëlieten?
Wat zag hij wat zij niet zagen?
Wat hoorde hij wat zij niet hoorden?

Er zijn een paar dingen die mij diep raken in dit stukje en die mij opnieuw doordringen van het feit, dat, al dan wel of niet sterk en krachtig zijn, moed en vertrouwen hebben, afhankelijk zijn van hoe wij kijken, op wie of wat wij zien.

- … Wie is deze onbesneden Filistijn wel, dat hij de gelederen van de levende God durft
   te honen?
- Laat geen mens vanwege hem de moed laten zinken.
- De HEERE, Die mij uit de klauwen van de leeuw gered heeft en uit de klauwen van de
   beer, Die zal mij redden uit de hand van deze Filistijn.
- …, maar ik kom naar u toe in de Naam van de HEERE van de legermachten, de God
   van de gelederen van Israël, Die u gehoond hebt.

Met andere woorden: Ik (David) zie die reus wel, maar hij heeft het lef om Gods kinderen te beschimpen.
De moed laten zakken?
Kom op zeg, ben je vergeten wie onze God is?
God heeft mij gered van beren en leeuwen, en Hij zal mij ook redden van die Filistijn,
want in Zijn Naam ga ik op de gast af!
David ziet voorbij de reus Goliath, hij ziet God!
David ziet voorbij die imponerende gestalte, Hij ziet de grootheid en de almacht van zijn God!
David hoort de woorden, maar zijn hart raakt verbolgen en doet pijn om God, om Gods volk, waartoe hij behoort.
Hij weet wie hij in God is, wie God voor hem is en hij gelooft en vertrouwt!
Maar David besefte ook, dat Goliath niet alleen hun vijand was, maar boven alles Gods vijand was.
In wezen werd niet het volk Israël uitgedaagd, maar God zelf.

De boze komt vaak met een heleboel bombarie op ons af.
Hij is erop uit om ons bang te maken, klein te maken, zodat we lam gelegd worden en vergeten om onze wapens op te nemen en te strijden.
Want hij weet, dat als wij gaan staan in de positie die we gekregen hebben met dat we tot geloof gekomen zijn, namelijk Zijn erfgenamen, Zijn kinderen, Zijn eigendom, hij geen schijn van kans maakt.
Want in Hem zijn wij meer dan over winnaar!; zegt Gods woord.
Daarom zijn de wapens die we van Hem hebben gekregen ook geestelijke wapens, want de echte strijd die we hebben te voeren is een geestelijke strijd.
We moeten leren kijken met andere ogen, met geestelijke ogen en dat is wat David deed.
En dan gaan we zien, dat veel gevechten die we te leveren hebben in het dagelijks leven eigenlijk niet om ons zijn of tegen ons, maar tegen God.
In Zijn Naam en in Zijn kracht moeten we leren gaan staan en strijden en daarin moeten we niet vergeten dat Hijzelf voor ons uitgaat om met en voor ons te strijden.
Hij laat ons nooit alleen!
De tekst waarmee dit stukje begint zegt dat God Zelf de vijand voor ons uitdrijft en Hij draagt ons op om de vijand te vernietigen.
We hoeven daarin nooit bang te zijn of de moed te verliezen, want Hij is ons tot een woning, een schuilplaats en Zijn eeuwige armen zijn onder ons, dragen ons!

David toonde ons wat er kan gebeuren als wij op God zien in plaats van op onze vijand.
En onze vijand komt in vele vormen en omstandigheden, maar als we in alles op God blijven zien en op Hem onze hoop en vertrouwen vestigen, net als David, dan zullen we ook net als David, onze vijand overwinnen en verslaan.




O, lieve vader in de hemel, mijn hart brandt van vuur door deze woorden van U.
Het brandt van dankbaarheid, om wat U ons aanreikt door ons deelgenoot te maken van wat U in en door Davids leven heen hebt gedaan.
Het brandt van liefde voor U, van verlangen om in het de praktijk te brengen, om niet meer op mijn ‘vijanden’ te zien, maar op U.
Ik bid U met heel mijn hart om geestelijke ogen, om ogen die zien wat achter de dingen die gebeuren ten grondslag ligt, de werkelijke vijand te kunnen zien.
Mijn hart verlangt, mijn hart brandt, voor U, voor wie U bent en voor wat U allemaal heeft gedaan.
Mijn hart verlangt ernaar, brandt, om het door te geven.
Om ook anderen aan te sporen om op U te zien en niet op omstandigheden of wat dan ook.
U bent God, de Almachtige!
De Eeuwige, die was, is en komt!
Die alles vast in handen heeft!
U bent het, onze alles in al.
U bent onze schuilplaats, onze woning; Uw armen, Uw eeuwige armen, zijn onder ons.
O Vader God, U komt toe alle lof en eer.
Maak dat mijn hart net zo verbolgen raakt als dat van David als Uw Naam, Uw eer, in het gedrang komt en leer mij daarin om net als David op de juiste wijze te reageren.

In Jezus ‘Naam.

- Amen -




Zie de vijand in de ogen,
ontdek tegen wie je werkelijk vecht.
Treed hem tegemoet in de Naam
van de Heer der legermachten
en zie hoe Hij voor jou
de strijd beslecht.
Laat je geen angst aanjagen
door zijn tomeloze
en uitdagend gepraat.
Zie op Hem,
ga in Zijn Naam
en onthoudt te allen tijd,
dat Hij naast je staat.
Laat de moed niet zakken,
hoe hevig de strijd ook is.
God zal met en voor je strijden,
ja, zeker en gewis.

©Rita Klapwijk

* 1 Samuël 17