'Maar Jezus antwoordde en zei tegen hen: Wie gezond zijn, hebben geen dokter nodig, maar wie ziek zijn.
Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen tot bekering te roepen, maar zondaars.'
HSV
'Toen gaf Jezus dit antwoord: ‘Gezonde mensen hebben geen dokter nodig, maar zieke wel.
Ik ben niet gekomen om rechtvaardige mensen tot een nieuw leven te roepen, maar zondaars.’
GNB
Lucas 5:31,32
Ik weet niet hoe jij er over denkt, maar mijn ervaring (en zelfkennis) doen mij constateren dat wij mensen vaak vreselijk eigenwijs zijn en daarnaast vaak ook behoorlijk trots en hoogmoedig.
Allemaal ingrediënten die ons ervan kunnen weerhouden om hulp te zoeken als we die eigenlijk nodig hebben.
Want laten we eerlijk zijn, we zijn toch doorgaans alleen bereid tot het vragen om hulp als we (bijna) stuklopen of niet meer verder kunnen?
Hoe lang gaan we vaak niet door met zelf proberen voordat we naar iemand toegaan en de ander om hulp vragen?
In dat opzicht zijn we vaak net als kleine kinderen: Ikke zelluf doen!
En als we er dan echt niet uitkomen, of het bijna fout loopt, dan …
Maar als het gaat om onze eeuwigheid, om ons leven na dit leven, dan is er niets, maar dan ook niets dat wij zelf kunnen doen om dit te bewerken.
Dan komt alles aan op ‘Genade’.
Jezus spreekt bovenaanstaande woorden op een groot feestmaal dat Levi, een tollenaar, ter ere van Jezus hield. (Lucas 5:27-32)
Levi had gehoor gegeven aan Jezus roep: ‘Kom en volg Mij’, en hij had terstond alles achter zich galaten en was met Jezus meegegaan.
Nu gaf hij een feest ter ere van Jezus en op dat feest had hij heel wat mensen, waaronder andere tollenaars, uitgenodigd.
De Farizeeërs en Schriftgeleerden die dit zagen, staken hun afkeuring niet onder stoelen of banken, maar riepen als het ware de discipelen ter verantwoording: ‘Waarom eten en drinken jullie met tollenaars en zondaars?’
Met andere woorden: ‘Hoe kunnen jullie; hoe durven jullie.’
Maar het is Jezus (Hij hoorde het dus duidelijk ook) die antwoord gaf : ‘Wie gezond zijn, hebben geen dokter nodig, maar wie ziek zijn.
Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen tot bekering te roepen, maar zondaars.’
Jezus had een bijzondere manier van spreken.
Op de vraag van de Farizeeërs en Schriftgeleerden geeft Hij niet een hele uiteenzetting van waarom Hij gekomen is, maar vergelijkt simpelweg de zondaar met iemand die ziek is en een dokter nodig heeft en dat Hij daarom was gekomen.
O, Jezus kent Zijn pappenheimers zo goed.
Hij doorziet de vrome praatjes, de trots en hoogmoed van de Farizeeërs en Schriftgeleerden, en geeft daarom een antwoord, waarvan wij misschien zouden zeggen dat het een steek onder water is, maar wat zij totaal niet doorhadden, vervuld als zij waren van hun eigendunk.
‘Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen tot bekering te brengen, maar zondaars.’
Door hun trots en hoogmoed, hun eigenwaan, hadden ze niet eens door hoe het er werkelijk met hen voor stond.
Zij herkenden Jezus daardoor ook niet als de Zoon van God, de Messias, de Beloofde en lang verwachte.
Ze kenden de Schrift, maar ze kenden slechts de letter en waren blind voor de vervulling ervan.
We zijn nu ruim tweeduizend jaar verder en in wezen is er niet veel veranderd.
Ja, wij kennen de boodschap, we weten waarom Hij kwam en voor wie.
We weten dat Hij Zijn leven gaf om het onze te redden, maar nog steeds zijn er vele mensen blind en doof voor deze boodschap.
Dat was toen, dat is nu en dat zal altijd zo zijn.
Maar dit zal altijd de keuze van de mens zelf zijn, want Jezus wijst geen enkel mens af, die met berouw tot Hem komt.
Ja, Zijn woorden waren vol venijn en grimmig over de Farizeeërs en Schriftgeleerden, - adderengebroed noemde Hij hen.
Hij wees hun trotse en arrogante, op uiterlijk vertoon gerichte houding af, maar nooit hen die nederig waren en vol berouw, die in Hem geloofden, Hem wilden volgen.
‘En zo trok Jezus rond door alle steden en dorpen.
Hij onderwees de mensen in hun synagogen, verkondigde hun het grote nieuws over het koninkrijk en genas hen van alle ziekten en kwalen.
Bij het zien van de menigte was Hij zeer met hen begaan, want ze waren als schapen zonder herder, opgejaagd en verzwakt.’
In andere vertalingen staat: ‘… was/werd Hij met innerlijke ontferming over hen bewogen.’ ( Mattheüs 9:36)
Jezus hart was, en is nog steeds, vol innerlijke ontferming bewogen.
Alles om ons heen verandert, niets blijft hetzelfde, maar Zijn woord is, en blijft, waarheid en eeuwig.
Hij is dezelfde, gisteren, heden en tot in alle eeuwigheid!
Lieve Heer Jezus, nog steeds is Uw hart bewogen voor ons mensen en nog steeds is er daarom tijd om tot U te komen met een berouwvol hart, want wie tot U komt met een hart vol berouw, een hart dat beseft U nodig te hebben, neemt U vol innerlijke ontferming aan.
Niemand die zo komt stuurt U weg, maar wordt in liefde ontvangen en aangenomen.
Uw liefde, Uw vergeving, Uw genade is zo groot, zo groot …
Maar we leven in een wereld, Heer Jezus, waar men U steeds minder denkt nodig te hebben.
Een wereld, waarin wat U voor ons heeft gedaan, naar de achtergrond verdwijnt, ja, zelfs bestempeld wordt als ‘alleen een leuk verhaaltje’ en waar vele mensen niet eens meer weten waarom ze vrij zijn als het Pasen is.
We leven in een wereld waarin alles draait om zelfrecht, zelfbeschikking.
Een wereld waarin U meer en meer verdreven wordt uit scholen, politiek, …; ja, zelfs uit kerken.
Vergeef ons, Uw kinderen, Heer Jezus, dat wij dit soms gewoon laten gebeuren en ik bid U voor onze wereld, voor de mensheid, voor ons land, ons volk, voor Uw volk, dat U ogen opent.
We kunnen niet zonder U, Heer, Jezus, we gaan verloren zonder U.
Open ogen, open harten, breng tot inkeer voor het te laat is en spoor ons Uw kinderen aan om te vertellen van U.
De oogst is groot, zegt U in Uw woord, maar de arbeiders weinig; doe ons onze verantwoordelijkheid beseffen en opnemen waar we kunnen.
In Jezus’ Naam bid ik U dit, Vader, in Jezus’ Naam smeek ik U dit.
- Amen -
Niemand die tot U komt, Heer Jezus,
met een hart vol berouw
zal door U worden afgewezen.
Niemand die komt
om vergeving te ontvangen
wordt door U doorverwezen.
Niemand die komt
met een oprecht, zoekend hart,
wordt aan een ander toegewezen.
Wie zo tot U komt, Heer Jezus,
wordt met vreugde ontvangen
en in liefde aangenomen.
Zonden worden vergeven,
en Uw liefdevolle genade
zal een ieder doorstromen.
Gods rijke zegen
en een liefdevolle groet,
Rita
Posts tonen met het label berouw. Alle posts tonen
Posts tonen met het label berouw. Alle posts tonen
zondag 15 september 2013
zondag 23 juni 2013
Week 26 - Berouw
'Ik, Ik ben het Die uw overtredingen uitdelgt omwille van Mijzelf,
en aan uw zonden denk Ik niet.'
HSV
'Ik ben je niets verplicht, maar dan ook niets.
Het is pure goedheid dat Ik je opstandigheid vergeef,
niet terugkom op je zonden.'
GNB
Jesaja 43:25
Drie dingen komen in mijn gedachten, namelijk een woord van David: ‘Ik ken mijn overtredingen; mijn zonde staat mij voortdurend voor ogen.’ (Psalm 51:5), een filmpje van Carman genaamd ‘The courtroom’ en een tekst uit Micha (Micha 7:19b) waar staat: ‘…, ja, U zult al hun zonden werpen in de diepten van de zee.’
De eerste tekst is verbonden met de titel/thema, het filmpje en de tekst uit Micha met de tekst en wat er op het kalendertje staat.
Wat er op het kalendertje staat komt op het volgende neer: Als wij dicht bij God wandelen, zullen de inspanningen van de aanklager te vergeefs zijn, want God zal Zich onze zonden niet herinneren tegen de tijd dat de boze in de hemel komt met zijn aanklachten tegen ons.
Berouw
‘Ik ken mijn overtredingen; mijn zonde staat mij voortdurend voor ogen.’
Ik heb hier al weleens vaker over geschreven, het is een tekst die mij diep raakt; die mij wijst op het belang van belijden en berouw hebben.
Deze Psalm heeft David geschreven nadat de Profeet Nathan hem gewezen had op zijn overspel met Bathseba en zijn aandeel in de dood van Uria. (2 Samuël 11)
Deze Psalm wordt ook wel een boetpsalm genoemd.
Een Psalm waarin David zijn schuld erkent, belijdt en smeekt om vergeving.
David heeft niet alleen maar spijt van wat hij heeft gedaan.
Het is bij hem geen kwestie van: ‘sorry, Heer, ik heb iets gedaan wat niet mocht, maar wilt U mij vergeven,’ maar er is er sprake van diep en oprecht berouw over zijn zonde.
Hoewel spijt en berouw ook naar elkaar verwijzen als je kijkt naar wat ze betekenen, toch is er weldegelijk een verschil het ergens spijt van hebben en berouw hebben.
Spijt is het gevoel hebben dat je iets niet had moeten doen; het jammer vinden omdat je iets verkeerd hebt gedaan.
Berouw is naast (erge) spijt over iets dat je verkeerd hebt gedaan ook boetvaardigheid, inkeer, bekering, hartknaging.
En deze woorden, deze betekenissen, vind je niet terug bij spijt.
Mijns inziens gaat berouw dieper dan spijt; ben je met berouw altijd bewust van de diepte van je zonde, terwijl spijt meerdere kanten op kan.
We zeggen soms zo makkelijk ‘het spijt me’, maar spijt het ons dan werkelijk?
Hebben we dan ook spijt in de zin van berouw over wat we verkeerd hebben gedaan?
Als ik iemand vergeten ben om een mailtje te sturen terwijl ik het belooft had, dan zeg ik ‘sorry, het spijt me; vergeef me’, maar doorgaans houdt het daar bij op.
Tenzij het heel belangrijk was en het misschien de ander schade berokkent heeft of emotioneel heel erg raakt, dan kan het zijn dat het diep in mijn hart gaat knagen en mijn spijt verandert in berouw.
Dan is er ook geen ‘sorry, het spijt me’ meer naar die ander toe, maar vanuit een diepe pijn vanuit mijn hart, in alle ootmoed en nederigheid, bekennen; ik ben fout geweest, dit had niet mogen gebeuren. Ik zie wat het je doet, gedaan heeft, en het doet mij pijn en verdriet. Ik zal er alles aan doen zodat het niet weer gebeurt.
Het is vanuit deze hartsgesteldheid dat David naar God toegaat en deze woorden spreekt.
Ik ken mijn overtredingen; o, hij besefte zo goed wat hij had gedaan.
Mijn zonde staat mij voortdurend voor ogen; hij kon aan niets anders meer denken dan aan wat hij verkeerd had gedaan en alleen als God hem zou vergeven, zou hij weer verder kunnen.
David besefte dat wat hij had gedaan scheiding had gebracht tussen hem en God en hij kon niet meer verder voordat God hem zijn zonde zou vergeven.
Het is geen goedkoop ‘het spijt me, God’, maar een berouw vanuit het diepst van zijn hart.
Hij wist dat hij verkeerd was geweest.
Hij wist wat hij verkeerd had gedaan.
Hij kon het bij name noemen; ook al was het pas nadat de profeet Nathan hem erop gewezen had.
Hij accepteerde Gods straf.
Hieraan kunnen we ook zien dat God soms andere mensen gebruikt om ons op onze zonde te wijzen.
Diep in ons hart kunnen we weten dat iets niet goed is, maar ons er tegelijk voor afsluiten.
God kan dan door andere heen ons terechtwijzen.
Dit omdat Hij weet dat het ons anders steeds verder van Hem verwijdert en dat wil Hij niet.
Hij houdt zo onnoemelijk veel van ons, dat Hij van Zijn kant er alles aan gedaan heeft, en doet, om de relatie tussen Hem en ons in orde te houden.
Maar Hij verlangt ook van ons dat wij doen wat Hij van ons vraagt.
David betaalde een hoge prijs voor zijn overspel met Bathseba.
Het zoontje dat geboren werd uit dit samenzijn, stierf.
Maar ook voor de rest van zijn leven had dit overspel met Bathseba gevolgen.
Je kunt het nalezen in (2 Samuël 12)
Het zijn deze woorden van David die mij tot nadenken hebben gestemd over hoe het ervoor staat met mijzelf.
Hoe zit het met mij, met mijn berouw, of voel ik alleen maar spijt over mijn zonde?
Knaagt mijn hart over mijn zonde?
Brengt mijn zonde mij tot inkeer, tot bekering van?
Soms kan mij dit dwars zitten, ervaar ik eigenlijk helemaal geen berouw over de zonden die ik doe.
Ja, als ik echt iets specifieks weet, dan komt dat echte diepe berouw om de hoek, maar gewoon zo, na een gewone dag, zonder opzienbarende gebeurtenissen, dan belijd ik aan Hem dat ik gezondigd heb, maar dat ik soms eigenlijk niet eens weet welke zonden ik heb gedaan.
Ik belijd, omdat ik weet dat ik zonden ontvangen en geboren ben.
En dan ben ik zo blij met weer andere woorden van David uit Psalm 19:13, ook die heb ik vaker genoemd: ‘Zuiver mij van mijn verborgen zonden, want iedereen maakt fouten zonder het te weten.’
Ik weet, de Here Jezus is voor mijn (onze) zonden gestorven aan het kruis op Golgotha.
Ik ben gekocht en betaald met Zijn bloed.
Ik ben vergeven en mijn toegang tot de troon van genade is vrij.
De aanklager kan naar God toe gaan en alles wat ik verkeerd heb gedaan aan God voorhouden, maar het Bloed van de Here Jezus heeft mij gereinigd, en reinigt mij, van alle zonden en de aanklager zal tandenknarsend afdruipen, omdat God mijn zonden niet meer ziet als ik ze beleden heb.
Want als ik gezondigd heb, zal ik mijn zonde ook moeten belijden, anders zal het tussen God en mij blijven staan.
Ik kan geen overspel plegen, of stelen of een moord begaan, en verder leven omdat ik vergeven ben met dat ik Hem heb aangenomen als mijn Heer en Heiland.
Ik kan niet roddelen, verkeerde bladen lezen, computerspelletjes/-pagina’s bekijken zonder dat het scheiding brengt tussen Hem en mij.
Alleen belijden en berouw zullen vergeving geven.
Al met al doen deze woorden van David mij beseffen hoe belangrijk berouw hebben over zonde voor God is en het doet mij mijzelf uitstrekken naar een echt berouwvol hart.
Naar een verlangen dat God mij mijn zonde voor ogen geeft en een oprecht berouw, meer dan een ‘het spijt me, Heer, ik heb het weer verkeerd gedaan’.
Welk een vreugde komt er dan ook, want het is door het offer van Zijn Zoon, onze Here Jezus Christus, dat er vergeving is.
(Zie bijv. Mattheüs 26 en volgende hoofdstukken)
En het is niet zomaar een vergeving, niet een ‘ik vergeef je’ en het komt later als er weer iets verkeerd gaat, terug om opnieuw voor je voeten geworpen te worden.
Het is niet zomaar een vergeving, omdat de ander een bepaalde verplichting naar je heeft.
Het is niet zomaar een vergeving, het is VERGEVING!
Een niet meer denken aan!
Weggedaan in de diepten van de zee! (Micha 7:19b)
Vergeten!
Het is Vergeving uit Genade!
Onverdiend!
Om Zijnentwil!
Pure goedheid!
Pure liefde!
Pure Genade!
Welk een vreugde komt er dan ook, want het is het grootste en mooiste geschenk dat iemand ooit kan geven.
Niets heeft meer waarde, niets is kostbaarder, dan Zijn geschenk van genade aan ons.
Welk een vreugde komt er dan ook, want Hij is onze zonde vergeten.
Ja, echt helemaal vergeten.
Nooit zal Hij meer terugkomen op zonden die zijn beleden en waar Hij vergeving over heeft gegeven.
Nooit meer.
Wij mensen hebben nogal eens de neiging om te ‘vergeven’, maar als er dan weer iets gebeurt het met dezelfde vaart weer iemand voor de voeten te gooien,
Ja, maar toen …
Maar God niet!
Hij vergeeft en vergeet.
Corrie ten Boom zei altijd bij de tekst uit Micha; Hij zet er een bordje bij: ‘Verboden te vissen’.
En zo komt het, dat als wij dicht bij God wandelen, de inspanningen van de aanklager te vergeefs zullen zijn, want God zal Zich onze zonden niet herinneren tegen de tijd dat de boze in de hemel komt met zijn aanklachten tegen ons.
Want dicht bij God wandelen, dicht bij Hem leven, maakt ons bewust van onze zonden en doet ons onze zonden belijden.
En Gods woord zegt dan: ‘Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig om ons de zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtigheid.’
1 Johannes 1:9
Lieve Vader in de hemel, wat een prachtig woord om het stukje mee te mogen besluiten.
Dank U wel, voor Uw liefde en genade, voor Uw goedheid en Uw trouw.
Mijn woorden schieten te kort, Vader, als ik U wil danken, loven en prijzen om wie U bent en om alles wat U heeft gedaan en doet.
Het is zo onbegrijpelijk.
Zo onvoorstelbaar.
Zo …
Lieve Vader, dank U wel, voor wie U bent; dat U bent die U bent.
Help mij, Vader, om te leren leven naar Uw wil, naar Uw geboden; vanuit mijzelf kan ik het niet.
Help mij ook, als de boze mij steeds opnieuw reeds vergeven zonden voorhoudt.
Laat mij opstaan en hem wijzen op Uw woord waarin U Zelf zegt dat als U vergeeft, U er ook niet meer aan denkt.
Dat U mijn zonden wegdoet in de diepten van de zee.
Hij heeft geen poot om op te staan; laten we ons daar toch van bewust zijn, bewust worden en gaan leven vanuit Uw kracht in ons, vanuit Uw woord.
Dank U, Vader, ik prijs Uw heilige Naam.
Ik loof U, want U bent waardig om mijn lof en aanbidding te ontvangen.
Niet alleen door mijn woorden, maar ook door mijn leven.
Ik wil dicht bij U wandelen, dicht bij U leven.
Help mij daarbij, Vader.
In Jezus’ Naam.
- Amen -
Welk een vreugde
is een leven dicht bij Hem.
Pure goedheid, liefde en genade,
giet Hij uit over mij.
Welk een lessen mag ik leren
met het luisteren naar Zijn stem.
Welk een veilige plek is het gaan
met Hem dagelijks aan mijn zij.
Welk een vreugde
is een leven dicht bij Hem.
Hoe heerlijk is het te mogen weten:
al mijn zonden zijn vergeven.
Welk een liefde en genade
klinkt er door in Zijn stem,
als Hij spreekt en tot mij zegt:
‘Ik ben bij je elke dag van je leven.’
Welk een vreugde
is een leven dicht bij Hem.
Hoe heerlijk is het te wandelen
met Hem aan mijn zij.
Welk een rust en vrede ligt er
in het luisteren naar Zijn stem.
Welk een kracht in het weten:
op al mijn wegen leidt Hij mij!
Gods rijke zegen
en een liefdevolle groet,
Rita
en aan uw zonden denk Ik niet.'
HSV
'Ik ben je niets verplicht, maar dan ook niets.
Het is pure goedheid dat Ik je opstandigheid vergeef,
niet terugkom op je zonden.'
GNB
Jesaja 43:25
Drie dingen komen in mijn gedachten, namelijk een woord van David: ‘Ik ken mijn overtredingen; mijn zonde staat mij voortdurend voor ogen.’ (Psalm 51:5), een filmpje van Carman genaamd ‘The courtroom’ en een tekst uit Micha (Micha 7:19b) waar staat: ‘…, ja, U zult al hun zonden werpen in de diepten van de zee.’
De eerste tekst is verbonden met de titel/thema, het filmpje en de tekst uit Micha met de tekst en wat er op het kalendertje staat.
Wat er op het kalendertje staat komt op het volgende neer: Als wij dicht bij God wandelen, zullen de inspanningen van de aanklager te vergeefs zijn, want God zal Zich onze zonden niet herinneren tegen de tijd dat de boze in de hemel komt met zijn aanklachten tegen ons.
Berouw
‘Ik ken mijn overtredingen; mijn zonde staat mij voortdurend voor ogen.’
Ik heb hier al weleens vaker over geschreven, het is een tekst die mij diep raakt; die mij wijst op het belang van belijden en berouw hebben.
Deze Psalm heeft David geschreven nadat de Profeet Nathan hem gewezen had op zijn overspel met Bathseba en zijn aandeel in de dood van Uria. (2 Samuël 11)
Deze Psalm wordt ook wel een boetpsalm genoemd.
Een Psalm waarin David zijn schuld erkent, belijdt en smeekt om vergeving.
David heeft niet alleen maar spijt van wat hij heeft gedaan.
Het is bij hem geen kwestie van: ‘sorry, Heer, ik heb iets gedaan wat niet mocht, maar wilt U mij vergeven,’ maar er is er sprake van diep en oprecht berouw over zijn zonde.
Hoewel spijt en berouw ook naar elkaar verwijzen als je kijkt naar wat ze betekenen, toch is er weldegelijk een verschil het ergens spijt van hebben en berouw hebben.
Spijt is het gevoel hebben dat je iets niet had moeten doen; het jammer vinden omdat je iets verkeerd hebt gedaan.
Berouw is naast (erge) spijt over iets dat je verkeerd hebt gedaan ook boetvaardigheid, inkeer, bekering, hartknaging.
En deze woorden, deze betekenissen, vind je niet terug bij spijt.
Mijns inziens gaat berouw dieper dan spijt; ben je met berouw altijd bewust van de diepte van je zonde, terwijl spijt meerdere kanten op kan.
We zeggen soms zo makkelijk ‘het spijt me’, maar spijt het ons dan werkelijk?
Hebben we dan ook spijt in de zin van berouw over wat we verkeerd hebben gedaan?
Als ik iemand vergeten ben om een mailtje te sturen terwijl ik het belooft had, dan zeg ik ‘sorry, het spijt me; vergeef me’, maar doorgaans houdt het daar bij op.
Tenzij het heel belangrijk was en het misschien de ander schade berokkent heeft of emotioneel heel erg raakt, dan kan het zijn dat het diep in mijn hart gaat knagen en mijn spijt verandert in berouw.
Dan is er ook geen ‘sorry, het spijt me’ meer naar die ander toe, maar vanuit een diepe pijn vanuit mijn hart, in alle ootmoed en nederigheid, bekennen; ik ben fout geweest, dit had niet mogen gebeuren. Ik zie wat het je doet, gedaan heeft, en het doet mij pijn en verdriet. Ik zal er alles aan doen zodat het niet weer gebeurt.
Het is vanuit deze hartsgesteldheid dat David naar God toegaat en deze woorden spreekt.
Ik ken mijn overtredingen; o, hij besefte zo goed wat hij had gedaan.
Mijn zonde staat mij voortdurend voor ogen; hij kon aan niets anders meer denken dan aan wat hij verkeerd had gedaan en alleen als God hem zou vergeven, zou hij weer verder kunnen.
David besefte dat wat hij had gedaan scheiding had gebracht tussen hem en God en hij kon niet meer verder voordat God hem zijn zonde zou vergeven.
Het is geen goedkoop ‘het spijt me, God’, maar een berouw vanuit het diepst van zijn hart.
Hij wist dat hij verkeerd was geweest.
Hij wist wat hij verkeerd had gedaan.
Hij kon het bij name noemen; ook al was het pas nadat de profeet Nathan hem erop gewezen had.
Hij accepteerde Gods straf.
Hieraan kunnen we ook zien dat God soms andere mensen gebruikt om ons op onze zonde te wijzen.
Diep in ons hart kunnen we weten dat iets niet goed is, maar ons er tegelijk voor afsluiten.
God kan dan door andere heen ons terechtwijzen.
Dit omdat Hij weet dat het ons anders steeds verder van Hem verwijdert en dat wil Hij niet.
Hij houdt zo onnoemelijk veel van ons, dat Hij van Zijn kant er alles aan gedaan heeft, en doet, om de relatie tussen Hem en ons in orde te houden.
Maar Hij verlangt ook van ons dat wij doen wat Hij van ons vraagt.
David betaalde een hoge prijs voor zijn overspel met Bathseba.
Het zoontje dat geboren werd uit dit samenzijn, stierf.
Maar ook voor de rest van zijn leven had dit overspel met Bathseba gevolgen.
Je kunt het nalezen in (2 Samuël 12)
Het zijn deze woorden van David die mij tot nadenken hebben gestemd over hoe het ervoor staat met mijzelf.
Hoe zit het met mij, met mijn berouw, of voel ik alleen maar spijt over mijn zonde?
Knaagt mijn hart over mijn zonde?
Brengt mijn zonde mij tot inkeer, tot bekering van?
Soms kan mij dit dwars zitten, ervaar ik eigenlijk helemaal geen berouw over de zonden die ik doe.
Ja, als ik echt iets specifieks weet, dan komt dat echte diepe berouw om de hoek, maar gewoon zo, na een gewone dag, zonder opzienbarende gebeurtenissen, dan belijd ik aan Hem dat ik gezondigd heb, maar dat ik soms eigenlijk niet eens weet welke zonden ik heb gedaan.
Ik belijd, omdat ik weet dat ik zonden ontvangen en geboren ben.
En dan ben ik zo blij met weer andere woorden van David uit Psalm 19:13, ook die heb ik vaker genoemd: ‘Zuiver mij van mijn verborgen zonden, want iedereen maakt fouten zonder het te weten.’
Ik weet, de Here Jezus is voor mijn (onze) zonden gestorven aan het kruis op Golgotha.
Ik ben gekocht en betaald met Zijn bloed.
Ik ben vergeven en mijn toegang tot de troon van genade is vrij.
De aanklager kan naar God toe gaan en alles wat ik verkeerd heb gedaan aan God voorhouden, maar het Bloed van de Here Jezus heeft mij gereinigd, en reinigt mij, van alle zonden en de aanklager zal tandenknarsend afdruipen, omdat God mijn zonden niet meer ziet als ik ze beleden heb.
Want als ik gezondigd heb, zal ik mijn zonde ook moeten belijden, anders zal het tussen God en mij blijven staan.
Ik kan geen overspel plegen, of stelen of een moord begaan, en verder leven omdat ik vergeven ben met dat ik Hem heb aangenomen als mijn Heer en Heiland.
Ik kan niet roddelen, verkeerde bladen lezen, computerspelletjes/-pagina’s bekijken zonder dat het scheiding brengt tussen Hem en mij.
Alleen belijden en berouw zullen vergeving geven.
Al met al doen deze woorden van David mij beseffen hoe belangrijk berouw hebben over zonde voor God is en het doet mij mijzelf uitstrekken naar een echt berouwvol hart.
Naar een verlangen dat God mij mijn zonde voor ogen geeft en een oprecht berouw, meer dan een ‘het spijt me, Heer, ik heb het weer verkeerd gedaan’.
Welk een vreugde komt er dan ook, want het is door het offer van Zijn Zoon, onze Here Jezus Christus, dat er vergeving is.
(Zie bijv. Mattheüs 26 en volgende hoofdstukken)
En het is niet zomaar een vergeving, niet een ‘ik vergeef je’ en het komt later als er weer iets verkeerd gaat, terug om opnieuw voor je voeten geworpen te worden.
Het is niet zomaar een vergeving, omdat de ander een bepaalde verplichting naar je heeft.
Het is niet zomaar een vergeving, het is VERGEVING!
Een niet meer denken aan!
Weggedaan in de diepten van de zee! (Micha 7:19b)
Vergeten!
Het is Vergeving uit Genade!
Onverdiend!
Om Zijnentwil!
Pure goedheid!
Pure liefde!
Pure Genade!
Welk een vreugde komt er dan ook, want het is het grootste en mooiste geschenk dat iemand ooit kan geven.
Niets heeft meer waarde, niets is kostbaarder, dan Zijn geschenk van genade aan ons.
Welk een vreugde komt er dan ook, want Hij is onze zonde vergeten.
Ja, echt helemaal vergeten.
Nooit zal Hij meer terugkomen op zonden die zijn beleden en waar Hij vergeving over heeft gegeven.
Nooit meer.
Wij mensen hebben nogal eens de neiging om te ‘vergeven’, maar als er dan weer iets gebeurt het met dezelfde vaart weer iemand voor de voeten te gooien,
Ja, maar toen …
Maar God niet!
Hij vergeeft en vergeet.
Corrie ten Boom zei altijd bij de tekst uit Micha; Hij zet er een bordje bij: ‘Verboden te vissen’.
En zo komt het, dat als wij dicht bij God wandelen, de inspanningen van de aanklager te vergeefs zullen zijn, want God zal Zich onze zonden niet herinneren tegen de tijd dat de boze in de hemel komt met zijn aanklachten tegen ons.
Want dicht bij God wandelen, dicht bij Hem leven, maakt ons bewust van onze zonden en doet ons onze zonden belijden.
En Gods woord zegt dan: ‘Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig om ons de zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtigheid.’
1 Johannes 1:9
Lieve Vader in de hemel, wat een prachtig woord om het stukje mee te mogen besluiten.
Dank U wel, voor Uw liefde en genade, voor Uw goedheid en Uw trouw.
Mijn woorden schieten te kort, Vader, als ik U wil danken, loven en prijzen om wie U bent en om alles wat U heeft gedaan en doet.
Het is zo onbegrijpelijk.
Zo onvoorstelbaar.
Zo …
Lieve Vader, dank U wel, voor wie U bent; dat U bent die U bent.
Help mij, Vader, om te leren leven naar Uw wil, naar Uw geboden; vanuit mijzelf kan ik het niet.
Help mij ook, als de boze mij steeds opnieuw reeds vergeven zonden voorhoudt.
Laat mij opstaan en hem wijzen op Uw woord waarin U Zelf zegt dat als U vergeeft, U er ook niet meer aan denkt.
Dat U mijn zonden wegdoet in de diepten van de zee.
Hij heeft geen poot om op te staan; laten we ons daar toch van bewust zijn, bewust worden en gaan leven vanuit Uw kracht in ons, vanuit Uw woord.
Dank U, Vader, ik prijs Uw heilige Naam.
Ik loof U, want U bent waardig om mijn lof en aanbidding te ontvangen.
Niet alleen door mijn woorden, maar ook door mijn leven.
Ik wil dicht bij U wandelen, dicht bij U leven.
Help mij daarbij, Vader.
In Jezus’ Naam.
- Amen -
Welk een vreugde
is een leven dicht bij Hem.
Pure goedheid, liefde en genade,
giet Hij uit over mij.
Welk een lessen mag ik leren
met het luisteren naar Zijn stem.
Welk een veilige plek is het gaan
met Hem dagelijks aan mijn zij.
Welk een vreugde
is een leven dicht bij Hem.
Hoe heerlijk is het te mogen weten:
al mijn zonden zijn vergeven.
Welk een liefde en genade
klinkt er door in Zijn stem,
als Hij spreekt en tot mij zegt:
‘Ik ben bij je elke dag van je leven.’
Welk een vreugde
is een leven dicht bij Hem.
Hoe heerlijk is het te wandelen
met Hem aan mijn zij.
Welk een rust en vrede ligt er
in het luisteren naar Zijn stem.
Welk een kracht in het weten:
op al mijn wegen leidt Hij mij!
Gods rijke zegen
en een liefdevolle groet,
Rita
zondag 2 juni 2013
Week 23 - Levend geloof
'Kom nu, laten wij samen een rechtszaak voeren, zegt de HEERE.
Al waren uw zonden als scharlaken, ze zullen wit worden als sneeuw;
al waren ze rood als karmozijn, ze zullen worden als witte wol.'
HSV
'Laten wij zien wie gelijk heeft.
Jullie zonden zijn rood als karmijn, paars als purper;
toch kunnen ze blank worden als sneeuw, wit als wol.'
GNB
Jesaja 1:18
Levend geloof; geloof dat leeft.
Niet alleen zeggen dat je gelooft, maar laten zien in je houding, gedrag, in je manier van leven, in wat je wel en niet doet, wel en niet zegt.
Hem dat laten toepassen in je leven, staat er op het kalendertje.
Ik las Jesaja 1 eerst maar eens in zijn geheel en proef hoe ontzettend belangrijk gehoorzaamheid voor God is.
Maar dan ook gehoorzaamheid aan God in alles en niet alleen in bepaalde dingen of op bepaalde gebieden.
In dit hoofdstuk klaagt God Zijn volk aan.
Ze brengen de voorgeschreven offers, ze lopen de tempel plat om Hem te vereren, ze houden de voorgeschreven feesten en samenkomsten, maar God walgt ervan, staat er.
Hij verafschuwt ze.
Hij kan ze niet langer verdragen.
Hij heeft het volk grootgebracht en opgevoed, maar ze zijn tegen Hem in opstand gekomen.
God zegt over Zijn volk in vers 3: Een rund kent zijn bezitter en een ezel de kribbe van zijn eigenaar, maar Israël heeft geen kennis, Mijn volk heeft geen inzicht.
Oftewel, Israël is nog dommer dan de rund en de ezel.
Zij kennen tenminste nog de hand die hen voed en die voor hen zorgt.
Maar het volk Israël heeft Hem de rug toegekeerd, heeft Hem verlaten.
Hem verworpen, zich van Hem vervreemd …
En ze blijven zich verzetten.
Het is zelfs zo erg, dat God Zijn ogen gesloten houdt als zij hun handen smekend omhoog heffen, dat Hij niet luistert, hoelang ze ook bidden.
Hun onrecht, hun zonden, hun wandaden staan als een onoverbrugbare kloof tussen hen en God in.
Was je, reinig je, keer je af van … roept God Zijn volk toe.
Jullie handen zitten vol bloed.
Houdt op met kwaad doen en leer goed te doen, help …
laten we zien wie er gelijk heeft.
Laten we een rechtszaak aanspannen.
Jullie en Ik …
En in één adem er achteraan: ‘Al waren uw zonden als scharlaken, ze zullen wit worden als sneeuw; al waren ze rood als karmozijn, ze zullen worden als witte wol.’
Luister; wees gewillig en bereid om te luisteren.
Wees gehoorzaam, dan …
Maar als je ongehoorzaam bent, dan …
De woorden van Jesaja gelden ook voor ons, zijn ook Gods waarschuwing aan ons.
Zonden.
Vergeving.
Gehoorzaamheid.
Ik kijk en zoek verder.
Levend geloof.
Geloof …
Mijn oog wordt getrokken door een tekst uit Lucas 5.
Vers 1 - Bij het zien van hun geloof zei Hij tegen de man: ‘Uw zonden zijn u vergeven.’
Het verhaal van de verlamde man die door zijn vrienden naar Jezus wordt gebracht om genezing te kunnen ontvangen.
Het huis waar Jezus was, was echter zo vol dat ze niet naar binnen konden.
Maar ze gaven niet op.
Ze gingen naar het dak toe, maakten er een gat in en lieten hun vriend met bed en al door dit gat naar beneden zakken vlak voor Jezus.
Dan staat er in Lucas 5:20: Bij het zien van hun geloof zei Hij (Jezus) tegen de man: ‘Uw zonden zijn u vergeven.’
De farizeeërs en schriftgeleerden vallen hier natuurlijk geweldig over, wie denkt Hij wel niet dat Hij, Jezus, is.
Wat een godslastering.
Maar Jezus kent hun gedachten en gaat daarop in door te laten zien dat Hij zowel de macht heeft om zonden te vergeven, als om te genezen.
Hij zegt daarom tegen de verlamde man dat hij op moet staan, zijn bed op moet pakken en naar huis moet gaan.
En de man staat op, pakt zijn bed en gaat, God lovend en prijzend, naar huis.
Levend geloof.
Zonden.
Vergeving.
Gehoorzaamheid.
Levend geloof!
De vrienden hadden geloof dat Jezus hun vriend kon genezen, maar als ze het daarbij hadden gelaten, zou hun vriend waarschijnlijk nooit genezen zijn.
Nee, ze geloofden dat Jezus het kon en daarom kwamen ze in actie en pakten hun vriend met bed en al op om hem naar Jezus toe te brengen.
Ze lieten zich ook niet tegenhouden door een dichte muur van mensen, maar waren vindingrijk en gingen naar het dak waar zij een gat in maakten om zo toch hun vriend maar bij Jezus te kunnen brengen.
Het gat dat zij moesten maken was niet een klein gaatje, want ze lieten hun vriend immers met bed en al naar beneden zakken, dus het gat waarover gesproken wordt is een behoorlijk groot gat en heeft hun heel wat gekost om te maken.
Levend geloof.
Praktisch.
Vindingrijk.
’t Mag wat kosten.
Liefde.
Bewogenheid.
Geloof: Hij kan het!
Gehoorzaamheid: Doen en gaan.
En dan: ‘Uw zonden zijn u vergeven!’
De ziel is voor Jezus belangrijker dan het lichaam.
Dat de ziel gered wordt, staat boven weer kunnen lopen.
Rein voor God kunnen verschijnen is van grotere waarde (= de grootste waarde) dan een lichaam dat gezond is en alles kan.
Misschien waren het zijn zonden wel die tussen hem en God instonden, dat weet ik niet.
Dit is immers niet altijd het geval, dat laat een ander voorbeeld uit de Bijbel ons wel zien.
Zie: Johannes 9:3
Maar Jezus zag het geloof (het levende geloof, want ze zetten hun geloof om in daden) van deze mannen en zei: Je zonden zijn je vergeven en daarna ontving de man ook genezing.
Doch de genezing werd pas zichtbaar en tastbaar, toen de man zelf ook opstond,zijn matras oppakte en ging.
Levend geloof.
Vergeving van zonden.
Geloof: horen.
Gehoorzaamheid: doen en gaan.
Mijn gedachten gaan zo van het één naar het ander.
Soms wordt het één geheel, één verhaal, nu gaan mijn gedachten van het één naar het ander.
Soms is dat ook goed, om zo uiteindelijk te kunnen komen waar God mij (ons) hebben wil, namelijk aan Zijn hart, bij Zijn wil.
God houdt van mij met heel Zijn hart, vertelt het kalendertje mij.
Hij heeft van Zijn kant uit alles gedaan om mij te bevrijden.
Het leven van Zijn Zoon, onze Here Jezus, getuigt daarvan.
En dan Hem de ruimte geven dat te laten toepassen in mijn (ons) leven.
‘Kom nu, laten wij samen een rechtszaak voeren, zegt de HEERE.’
Lieve Vader in de hemel.
Als er zonde in mijn leven is, zonde, die tussen U en mij in staat, laat mij dit dan zien.
Open mijn ogen daarvoor.
Soms ben ik mij er namelijk niet eens van bewust.
Verborgen zonden, noemt David ze, Vader.
Laat mij het zien, Vader, zoals U Uw volk in dit hoofdstuk van Jesaja hun zonden voorhield; al hun ongerechtigheden.
Dan kan en zal ik belijden.
‘Al waren uw zonden als scharlaken, ze zullen wit worden als sneeuw;
al waren ze rood als karmozijn, ze zullen worden als witte wol.’
HEER, ik wil luisteren naar wat U hebt te zeggen, ik wil niet koppig zijn.
Doe mij Uw stem horen, doe mij Uw stem verstaan.
Vergeef mij en help mij mij af te keren van wat U mij laat zien.
Vergeef mij, en mijn hart zal weer wit zijn als sneeuw, als witte wol.
Laat mijn geloof, Vader, zijn een levend geloof, dat zich afkeert van zonde, vergeving ontvangt en in gehoorzaamheid de weg van Uw wil gaat.
Wandelend door de Geest aan Uw hand.
Groeiend, bloeiend, vruchtdragend.
Tot eer en glorie van Uw Naam.
- Amen -
Levend geloof.
Geloof dat zonden belijdt.
Levend geloof.
Leven in gehoorzaamheid.
Levend geloof.
Geloof in woord en daad.
Levend geloof.
Leven dat hoort, en gaat.
Levend geloof.
Geloof dat leeft.
Levend geloof.
Leven dat vruchten geeft.
Levend geloof.
Stapt uit en waagt.
Levend geloof.
Leven dat Hem behaagt.
Gods rijke zegen
en een liefdevolle groet,
Rita
Al waren uw zonden als scharlaken, ze zullen wit worden als sneeuw;
al waren ze rood als karmozijn, ze zullen worden als witte wol.'
HSV
'Laten wij zien wie gelijk heeft.
Jullie zonden zijn rood als karmijn, paars als purper;
toch kunnen ze blank worden als sneeuw, wit als wol.'
GNB
Jesaja 1:18
Levend geloof; geloof dat leeft.
Niet alleen zeggen dat je gelooft, maar laten zien in je houding, gedrag, in je manier van leven, in wat je wel en niet doet, wel en niet zegt.
Hem dat laten toepassen in je leven, staat er op het kalendertje.
Ik las Jesaja 1 eerst maar eens in zijn geheel en proef hoe ontzettend belangrijk gehoorzaamheid voor God is.
Maar dan ook gehoorzaamheid aan God in alles en niet alleen in bepaalde dingen of op bepaalde gebieden.
In dit hoofdstuk klaagt God Zijn volk aan.
Ze brengen de voorgeschreven offers, ze lopen de tempel plat om Hem te vereren, ze houden de voorgeschreven feesten en samenkomsten, maar God walgt ervan, staat er.
Hij verafschuwt ze.
Hij kan ze niet langer verdragen.
Hij heeft het volk grootgebracht en opgevoed, maar ze zijn tegen Hem in opstand gekomen.
God zegt over Zijn volk in vers 3: Een rund kent zijn bezitter en een ezel de kribbe van zijn eigenaar, maar Israël heeft geen kennis, Mijn volk heeft geen inzicht.
Oftewel, Israël is nog dommer dan de rund en de ezel.
Zij kennen tenminste nog de hand die hen voed en die voor hen zorgt.
Maar het volk Israël heeft Hem de rug toegekeerd, heeft Hem verlaten.
Hem verworpen, zich van Hem vervreemd …
En ze blijven zich verzetten.
Het is zelfs zo erg, dat God Zijn ogen gesloten houdt als zij hun handen smekend omhoog heffen, dat Hij niet luistert, hoelang ze ook bidden.
Hun onrecht, hun zonden, hun wandaden staan als een onoverbrugbare kloof tussen hen en God in.
Was je, reinig je, keer je af van … roept God Zijn volk toe.
Jullie handen zitten vol bloed.
Houdt op met kwaad doen en leer goed te doen, help …
laten we zien wie er gelijk heeft.
Laten we een rechtszaak aanspannen.
Jullie en Ik …
En in één adem er achteraan: ‘Al waren uw zonden als scharlaken, ze zullen wit worden als sneeuw; al waren ze rood als karmozijn, ze zullen worden als witte wol.’
Luister; wees gewillig en bereid om te luisteren.
Wees gehoorzaam, dan …
Maar als je ongehoorzaam bent, dan …
De woorden van Jesaja gelden ook voor ons, zijn ook Gods waarschuwing aan ons.
Zonden.
Vergeving.
Gehoorzaamheid.
Ik kijk en zoek verder.
Levend geloof.
Geloof …
Mijn oog wordt getrokken door een tekst uit Lucas 5.
Vers 1 - Bij het zien van hun geloof zei Hij tegen de man: ‘Uw zonden zijn u vergeven.’
Het verhaal van de verlamde man die door zijn vrienden naar Jezus wordt gebracht om genezing te kunnen ontvangen.
Het huis waar Jezus was, was echter zo vol dat ze niet naar binnen konden.
Maar ze gaven niet op.
Ze gingen naar het dak toe, maakten er een gat in en lieten hun vriend met bed en al door dit gat naar beneden zakken vlak voor Jezus.
Dan staat er in Lucas 5:20: Bij het zien van hun geloof zei Hij (Jezus) tegen de man: ‘Uw zonden zijn u vergeven.’
De farizeeërs en schriftgeleerden vallen hier natuurlijk geweldig over, wie denkt Hij wel niet dat Hij, Jezus, is.
Wat een godslastering.
Maar Jezus kent hun gedachten en gaat daarop in door te laten zien dat Hij zowel de macht heeft om zonden te vergeven, als om te genezen.
Hij zegt daarom tegen de verlamde man dat hij op moet staan, zijn bed op moet pakken en naar huis moet gaan.
En de man staat op, pakt zijn bed en gaat, God lovend en prijzend, naar huis.
Levend geloof.
Zonden.
Vergeving.
Gehoorzaamheid.
Levend geloof!
De vrienden hadden geloof dat Jezus hun vriend kon genezen, maar als ze het daarbij hadden gelaten, zou hun vriend waarschijnlijk nooit genezen zijn.
Nee, ze geloofden dat Jezus het kon en daarom kwamen ze in actie en pakten hun vriend met bed en al op om hem naar Jezus toe te brengen.
Ze lieten zich ook niet tegenhouden door een dichte muur van mensen, maar waren vindingrijk en gingen naar het dak waar zij een gat in maakten om zo toch hun vriend maar bij Jezus te kunnen brengen.
Het gat dat zij moesten maken was niet een klein gaatje, want ze lieten hun vriend immers met bed en al naar beneden zakken, dus het gat waarover gesproken wordt is een behoorlijk groot gat en heeft hun heel wat gekost om te maken.
Levend geloof.
Praktisch.
Vindingrijk.
’t Mag wat kosten.
Liefde.
Bewogenheid.
Geloof: Hij kan het!
Gehoorzaamheid: Doen en gaan.
En dan: ‘Uw zonden zijn u vergeven!’
De ziel is voor Jezus belangrijker dan het lichaam.
Dat de ziel gered wordt, staat boven weer kunnen lopen.
Rein voor God kunnen verschijnen is van grotere waarde (= de grootste waarde) dan een lichaam dat gezond is en alles kan.
Misschien waren het zijn zonden wel die tussen hem en God instonden, dat weet ik niet.
Dit is immers niet altijd het geval, dat laat een ander voorbeeld uit de Bijbel ons wel zien.
Zie: Johannes 9:3
Maar Jezus zag het geloof (het levende geloof, want ze zetten hun geloof om in daden) van deze mannen en zei: Je zonden zijn je vergeven en daarna ontving de man ook genezing.
Doch de genezing werd pas zichtbaar en tastbaar, toen de man zelf ook opstond,zijn matras oppakte en ging.
Levend geloof.
Vergeving van zonden.
Geloof: horen.
Gehoorzaamheid: doen en gaan.
Mijn gedachten gaan zo van het één naar het ander.
Soms wordt het één geheel, één verhaal, nu gaan mijn gedachten van het één naar het ander.
Soms is dat ook goed, om zo uiteindelijk te kunnen komen waar God mij (ons) hebben wil, namelijk aan Zijn hart, bij Zijn wil.
God houdt van mij met heel Zijn hart, vertelt het kalendertje mij.
Hij heeft van Zijn kant uit alles gedaan om mij te bevrijden.
Het leven van Zijn Zoon, onze Here Jezus, getuigt daarvan.
En dan Hem de ruimte geven dat te laten toepassen in mijn (ons) leven.
‘Kom nu, laten wij samen een rechtszaak voeren, zegt de HEERE.’
Lieve Vader in de hemel.
Als er zonde in mijn leven is, zonde, die tussen U en mij in staat, laat mij dit dan zien.
Open mijn ogen daarvoor.
Soms ben ik mij er namelijk niet eens van bewust.
Verborgen zonden, noemt David ze, Vader.
Laat mij het zien, Vader, zoals U Uw volk in dit hoofdstuk van Jesaja hun zonden voorhield; al hun ongerechtigheden.
Dan kan en zal ik belijden.
‘Al waren uw zonden als scharlaken, ze zullen wit worden als sneeuw;
al waren ze rood als karmozijn, ze zullen worden als witte wol.’
HEER, ik wil luisteren naar wat U hebt te zeggen, ik wil niet koppig zijn.
Doe mij Uw stem horen, doe mij Uw stem verstaan.
Vergeef mij en help mij mij af te keren van wat U mij laat zien.
Vergeef mij, en mijn hart zal weer wit zijn als sneeuw, als witte wol.
Laat mijn geloof, Vader, zijn een levend geloof, dat zich afkeert van zonde, vergeving ontvangt en in gehoorzaamheid de weg van Uw wil gaat.
Wandelend door de Geest aan Uw hand.
Groeiend, bloeiend, vruchtdragend.
Tot eer en glorie van Uw Naam.
- Amen -
Levend geloof.
Geloof dat zonden belijdt.
Levend geloof.
Leven in gehoorzaamheid.
Levend geloof.
Geloof in woord en daad.
Levend geloof.
Leven dat hoort, en gaat.
Levend geloof.
Geloof dat leeft.
Levend geloof.
Leven dat vruchten geeft.
Levend geloof.
Stapt uit en waagt.
Levend geloof.
Leven dat Hem behaagt.
Gods rijke zegen
en een liefdevolle groet,
Rita
zondag 28 april 2013
Week 18 - Belijdenis
'Zie, U vindt vreugde in waarheid in het binnenste,
in het verborgene maakt U mij wijsheid bekend.
Ontzondig mij met hysop, dan zal ik rein zijn,
was mij, dan zal ik witter zijn dan sneeuw.'
HSV
'Maar u verlangt alleen dat ik oprecht ben,
tot in het diepst van mijn ziel;
vervul mij met uw wijsheid
tot in het diepst van mijn hart.
Besprenkel mij,
dan word ik weer rein;
was mij,
dan word ik witter dan sneeuw.'
GNB
Psalm 51:8,9
Psalm 51 heeft David geschreven nadat de profeet Nathan bij hem geweest was en hem gewezen had op zijn overspel met Bathseba en zijn verantwoordelijkheid voor de dood van Uria, de man van Bathseba.
Het verhaal van David en Bathseba kun je lezen in 2 Samuël 11 en 12 t/m vers 25.
Het berouw van David gaat diep, heel diep.
Ik neem even de woorden vanuit Het Boek:
‘Geef mij genade, o God, hoewel ik dat niet heb verdiend.
Laat toch blijken hoe groot Uw liefde en goedheid is.
Wilt U door Uw vergevende mildheid mijn zonden wegdoen?
Reinig mij toch van deze zonde, die een smet op mij werpt.
Ik weet dat ik heb gezondigd; steeds opnieuw gaan mijn gedachten terug naar deze daad, waarmee ik van Uw pad afweek.
Mijn God, ik heb tegen U gezondigd en Uw gebod overtreden.
Wat U er ook over zegt, het is altijd goed en rechtvaardig.
Uw uitspraken zijn altijd zuiver.
Ik weet dat ik vanaf mijn geboorte al een zondaar ben; toen ik werd verwekt, stond al vast dat ik een zondaar zou zijn.’
Als de profeet Nathan tegen David zegt: ‘Die man bent u’, zoekt David geen uitvluchten, maar antwoordt: ’Ik heb tegen de Heer gezondigd.’
‘Mijn gedachten gaan automatisch naar het Paradijs, naar Adam en Eva, naar hun reactie, toen God hen confronteerde met hun zonde.
Hoe anders was hun reactie!
Ja, maar de slang …
Ja, maar de vrouw, die U mij gegeven hebt …
Ja maar …
David niet; ‘Ik heb tegen de HEER gezondigd.’
En in deze Psalm 51 komt heel duidelijk naar voren hoe diep zijn zondebesef is, zijn berouw.
Hij maakte het niet kleiner en niet minder erg dan het was, noch zoekt hij uitvluchten of probeert hij de schuld in andermans schoenen te schuiven.
‘Ja, maar die vrouw; die had daar niet moeten gaan baden, mijn dakterras kijkt uit op haar tuin, zij had …’
Nee, zijn zonde staat hem heel duidelijk voor ogen, steeds opnieuw gaan zijn gedachten terug naar wat hij verkeerd heeft gedaan.
Hoe is dat bij ons?
Als ik naar mijzelf kijk, dan betrap ik mijzelf erop, dat ik toch wel de neiging heb om net als Adam en Eva, uitvluchten te zoeken, de schuld richting een ander te schuiven, in plaats van gewoon gelijk eerlijk toe te geven dat ik fout was.
Als ik bijvoorbeeld mijn geduld verlies met mijn dochter, dan weet ik dat het verkeerd is, maar in gedachten heb ik al vele excuses naar God toe over dat het gewoon niet anders kon, want zij …’
En zo zijn er nog legio voorbeelden te noemen.
… als die andere autobestuurder mij niet had afgesneden met zijn auto, dan had ik niet zo gescholden.
… als die vrouw zich niet zo sexy had gekleed, dan …
… Ja, maar, ik was zo verdrietig, en hij was zo lief voor mij …
… O, als die ander nu maar niet het bloed onder mijn nagels vandaan had gehaald …
Als …
Ja, maar …
Welk een voorbeeld is David dan hier voor ons.
Ja, hij had gezondigd.
Ja, hij had Gods gebod overtreden; wat zeg ik, meerdere zelfs.
Maar toen hij er mee geconfronteerd werd, boog hij zijn hoofd en erkende zijn schuld, zijn zonde.
En dat is waar het deze keer om gaat: het erkennen en bekennen van onze schuld.
Belijdenis doen van onze zonden, zodat we in vrijheid kunnen (gaan) leven.
En dat geldt voor elke zonde!
Hoe diep we het ook hebben weggestopt, onzichtbaar voor de buitenwereld, maar nog steeds aanwezig in dat geheime hoekje.
Willen we ooit in Vrijheid kunnen leven, zullen we elke zonde moeten belijden.
Elk deel van ons leven, zelfs het kleinst hoekje, dienen we in het licht van Gods woord te houden om te zien of er zonde aanwezig is.
We moeten ons dag in, dag uit bewust zijn, bewuster worden, van het feit dat God vreugde vindt in de waarheid, dat Hij verlangt dat wij oprecht zijn, niet zomaar oprecht, maar oprecht tot in het diepst van onze ziel.
Het diepst van onze ziel, tot in het diepst van ons wezen; geen enkel verborgen plekje, geen enkel verborgen hoekje, geen enkel geheim vakje.
God kent ons, Hij doorgrond ons, Hij weet alles van ons.
Niets is voor Hem verborgen, maar Hij verlangt ernaar dat wij onze zonden belijden, klein en groot.
Hij verlangt ernaar dat wij eerlijk en oprecht zijn, de waarheid spreken.
En Hij verlangt dit niet alleen van ons, maar Hij wil ons ook helpen daarbij.
God wil ons, tot in het diepst van ons hart, bekendmaken welke zonde(n) er nog in ons leven is (zijn).
David verlangt daarnaar, en is zich bewust van deze genade van God.
Ik moet ook denken aan Psalm 19:13, waar David bidt om vergeving van zijn verborgen zonden.
David is zich ervan bewust dat God alles van hem weet, dus ook iedere zonde die hij heeft begaan.
God kent veel meer kwaad van ons dan wij van onszelf, zegt Matthew Henri.
Wij vergeten, maar God kan pas vergeten als wij onze zonden hebben beleden.
Dan kan Hij vergeven en vergeten.
Als ik eind van de dag in mijn bed stap, weet ik beslist niet meer wat ik die dag allemaal verkeerd heb gedaan, dus bid ik ook met Davids woorden: ‘HEER, vergeef mij ook mijn verborgen zonden.’
Maar ook vraag ik of Hij mij, als er specifieke dingen zijn, die Hij met name genoemd wil hebben, mij bekend maakt, zodat ik ze kan belijden en Hij kan vergeven.
Want ik verlang ernaar om in vrijheid te leven.
Ik verlang naar een leven waar niets tussen mij en God instaat.
Wat zie ik daarom uit naar de dag dat Hij terugkomt!
Wij hebben thuis een CD van Peter Helms, ik weet niet meer precies welke, maar op één van die CD’s is een lied en één regel daaruit blijft al jaar en dag in mijn gedachten.
Niet elke dag, soms zelfs lange tijd niet, maar met het schrijven komt deze regel weer terug: ‘Schrob mijn leven schoon!’
Deze regel heeft zich vastgezet, niet alleen in mijn gedachten, maar ook in mijn hart.
En er zijn soms van die momenten dat ik vanuit het diepst van mijn hart dit bid: ‘schrob mijn leven schoon, HEER, ja, schrob mijn leven schoon!’
Dan lijkt een ‘gewone reiniging niet voldoende, dan verlang ik naar meer.
Dan verlang ik ernaar om brandschoon te zijn, zodat ik heel dicht in Zijn nabijheid, in Zijn aanwezigheid, kan komen, kan zijn.
David verlangde daar ook naar.
Ontzondig mij met hysop, dan zal ik rein zijn, was mij, dan zal ik witter zijn dan sneeuw.
Ontzondig mij, was mij, dan zal ik rein zijn, witter dan sneeuw!
Verlang jij er ook naar om in Vrijheid te leven?
Verlang jij ook naar een leven dicht in Zijn nabijheid?
Verlang jij ook naar een intiemere, vriendschappelijke relatie met God, zoals David?
Belijd Hem dan je zonden, wacht daar niet mee, en keer je af van verkeerde wegen.
Zonde schept altijd verwijdering tussen God en ons.
We kunnen niet in Gods nabijheid komen als er zonde in ons leven is, deze zal als een onoverbrugbare kloof tussen Hem en ons instaan.
Jezus is de brug geworden door te sterven aan het kruis.
Belijdt en ontvang vergeving.
Belijdt en wordt witter dan sneeuw.
Belijdt en wordt vrij!
Ja, lieve Vader, was, schrob mijn leven schoon!
Werp door Uw woord en Geest Uw licht op mijn leven.
Ja, tot in het kleinste hoekje en laat mij zien waar er nog dingen moeten veranderen.
Kom met Uw waarheid in mijn hart.
Open mijn hart voor Uw wijsheid.
Was mij, reinig mij, van alle zonden.
Vergeef mij ook mijn verborgen zonden, opdat er niets tussen U en mij in zal blijven staan.
Leer mij zo te leven in Uw waarheid, dat als ik zondig, Uw Geest mij daar direct bewust van maakt en ik mijn zonden kan belijden.
Kom met Uw Geest van wijsheid tot in het diepst van mijn hart en leer mij, leidt mij.
Laat mijn leven een leven zijn, dat U vreugde geeft.
Leer mij daarom in Uw waarheid te wandelen en maak mij eerlijk en oprecht tot in het diepst van mij ziel.
In Jezus’ Naam.
– Amen –
O Heer, niets is mooier,
niets is beter,
niets is begerenswaardiger,
dan in Vrijheid te leven.
Vrij van elke aanklacht,
van elke schuld,
van elke zonde
ooit door mij bedreven.
Leid mij daarom, Heer,
in Uw waarheid,
leer mij
en geef mij wijsheid van hart.
Doe mij onderkennen
elke zonde,
elke smet,
die deze vrijheid tart.
Ik verlang te belijden, Heer,
alles wat er staat
tussen U en mij.
Vergeef mij; was mij rein!
Het is mijn diepst verlangen,
U te eren, U te dienen,
voor U te leven.
O God, van U alleen wil ik zijn.
©Rita Klapwijk
in het verborgene maakt U mij wijsheid bekend.
Ontzondig mij met hysop, dan zal ik rein zijn,
was mij, dan zal ik witter zijn dan sneeuw.'
HSV
'Maar u verlangt alleen dat ik oprecht ben,
tot in het diepst van mijn ziel;
vervul mij met uw wijsheid
tot in het diepst van mijn hart.
Besprenkel mij,
dan word ik weer rein;
was mij,
dan word ik witter dan sneeuw.'
GNB
Psalm 51:8,9
Psalm 51 heeft David geschreven nadat de profeet Nathan bij hem geweest was en hem gewezen had op zijn overspel met Bathseba en zijn verantwoordelijkheid voor de dood van Uria, de man van Bathseba.
Het verhaal van David en Bathseba kun je lezen in 2 Samuël 11 en 12 t/m vers 25.
Het berouw van David gaat diep, heel diep.
Ik neem even de woorden vanuit Het Boek:
‘Geef mij genade, o God, hoewel ik dat niet heb verdiend.
Laat toch blijken hoe groot Uw liefde en goedheid is.
Wilt U door Uw vergevende mildheid mijn zonden wegdoen?
Reinig mij toch van deze zonde, die een smet op mij werpt.
Ik weet dat ik heb gezondigd; steeds opnieuw gaan mijn gedachten terug naar deze daad, waarmee ik van Uw pad afweek.
Mijn God, ik heb tegen U gezondigd en Uw gebod overtreden.
Wat U er ook over zegt, het is altijd goed en rechtvaardig.
Uw uitspraken zijn altijd zuiver.
Ik weet dat ik vanaf mijn geboorte al een zondaar ben; toen ik werd verwekt, stond al vast dat ik een zondaar zou zijn.’
Als de profeet Nathan tegen David zegt: ‘Die man bent u’, zoekt David geen uitvluchten, maar antwoordt: ’Ik heb tegen de Heer gezondigd.’
‘Mijn gedachten gaan automatisch naar het Paradijs, naar Adam en Eva, naar hun reactie, toen God hen confronteerde met hun zonde.
Hoe anders was hun reactie!
Ja, maar de slang …
Ja, maar de vrouw, die U mij gegeven hebt …
Ja maar …
David niet; ‘Ik heb tegen de HEER gezondigd.’
En in deze Psalm 51 komt heel duidelijk naar voren hoe diep zijn zondebesef is, zijn berouw.
Hij maakte het niet kleiner en niet minder erg dan het was, noch zoekt hij uitvluchten of probeert hij de schuld in andermans schoenen te schuiven.
‘Ja, maar die vrouw; die had daar niet moeten gaan baden, mijn dakterras kijkt uit op haar tuin, zij had …’
Nee, zijn zonde staat hem heel duidelijk voor ogen, steeds opnieuw gaan zijn gedachten terug naar wat hij verkeerd heeft gedaan.
Hoe is dat bij ons?
Als ik naar mijzelf kijk, dan betrap ik mijzelf erop, dat ik toch wel de neiging heb om net als Adam en Eva, uitvluchten te zoeken, de schuld richting een ander te schuiven, in plaats van gewoon gelijk eerlijk toe te geven dat ik fout was.
Als ik bijvoorbeeld mijn geduld verlies met mijn dochter, dan weet ik dat het verkeerd is, maar in gedachten heb ik al vele excuses naar God toe over dat het gewoon niet anders kon, want zij …’
En zo zijn er nog legio voorbeelden te noemen.
… als die andere autobestuurder mij niet had afgesneden met zijn auto, dan had ik niet zo gescholden.
… als die vrouw zich niet zo sexy had gekleed, dan …
… Ja, maar, ik was zo verdrietig, en hij was zo lief voor mij …
… O, als die ander nu maar niet het bloed onder mijn nagels vandaan had gehaald …
Als …
Ja, maar …
Welk een voorbeeld is David dan hier voor ons.
Ja, hij had gezondigd.
Ja, hij had Gods gebod overtreden; wat zeg ik, meerdere zelfs.
Maar toen hij er mee geconfronteerd werd, boog hij zijn hoofd en erkende zijn schuld, zijn zonde.
En dat is waar het deze keer om gaat: het erkennen en bekennen van onze schuld.
Belijdenis doen van onze zonden, zodat we in vrijheid kunnen (gaan) leven.
En dat geldt voor elke zonde!
Hoe diep we het ook hebben weggestopt, onzichtbaar voor de buitenwereld, maar nog steeds aanwezig in dat geheime hoekje.
Willen we ooit in Vrijheid kunnen leven, zullen we elke zonde moeten belijden.
Elk deel van ons leven, zelfs het kleinst hoekje, dienen we in het licht van Gods woord te houden om te zien of er zonde aanwezig is.
We moeten ons dag in, dag uit bewust zijn, bewuster worden, van het feit dat God vreugde vindt in de waarheid, dat Hij verlangt dat wij oprecht zijn, niet zomaar oprecht, maar oprecht tot in het diepst van onze ziel.
Het diepst van onze ziel, tot in het diepst van ons wezen; geen enkel verborgen plekje, geen enkel verborgen hoekje, geen enkel geheim vakje.
God kent ons, Hij doorgrond ons, Hij weet alles van ons.
Niets is voor Hem verborgen, maar Hij verlangt ernaar dat wij onze zonden belijden, klein en groot.
Hij verlangt ernaar dat wij eerlijk en oprecht zijn, de waarheid spreken.
En Hij verlangt dit niet alleen van ons, maar Hij wil ons ook helpen daarbij.
God wil ons, tot in het diepst van ons hart, bekendmaken welke zonde(n) er nog in ons leven is (zijn).
David verlangt daarnaar, en is zich bewust van deze genade van God.
Ik moet ook denken aan Psalm 19:13, waar David bidt om vergeving van zijn verborgen zonden.
David is zich ervan bewust dat God alles van hem weet, dus ook iedere zonde die hij heeft begaan.
God kent veel meer kwaad van ons dan wij van onszelf, zegt Matthew Henri.
Wij vergeten, maar God kan pas vergeten als wij onze zonden hebben beleden.
Dan kan Hij vergeven en vergeten.
Als ik eind van de dag in mijn bed stap, weet ik beslist niet meer wat ik die dag allemaal verkeerd heb gedaan, dus bid ik ook met Davids woorden: ‘HEER, vergeef mij ook mijn verborgen zonden.’
Maar ook vraag ik of Hij mij, als er specifieke dingen zijn, die Hij met name genoemd wil hebben, mij bekend maakt, zodat ik ze kan belijden en Hij kan vergeven.
Want ik verlang ernaar om in vrijheid te leven.
Ik verlang naar een leven waar niets tussen mij en God instaat.
Wat zie ik daarom uit naar de dag dat Hij terugkomt!
Wij hebben thuis een CD van Peter Helms, ik weet niet meer precies welke, maar op één van die CD’s is een lied en één regel daaruit blijft al jaar en dag in mijn gedachten.
Niet elke dag, soms zelfs lange tijd niet, maar met het schrijven komt deze regel weer terug: ‘Schrob mijn leven schoon!’
Deze regel heeft zich vastgezet, niet alleen in mijn gedachten, maar ook in mijn hart.
En er zijn soms van die momenten dat ik vanuit het diepst van mijn hart dit bid: ‘schrob mijn leven schoon, HEER, ja, schrob mijn leven schoon!’
Dan lijkt een ‘gewone reiniging niet voldoende, dan verlang ik naar meer.
Dan verlang ik ernaar om brandschoon te zijn, zodat ik heel dicht in Zijn nabijheid, in Zijn aanwezigheid, kan komen, kan zijn.
David verlangde daar ook naar.
Ontzondig mij met hysop, dan zal ik rein zijn, was mij, dan zal ik witter zijn dan sneeuw.
Ontzondig mij, was mij, dan zal ik rein zijn, witter dan sneeuw!
Verlang jij er ook naar om in Vrijheid te leven?
Verlang jij ook naar een leven dicht in Zijn nabijheid?
Verlang jij ook naar een intiemere, vriendschappelijke relatie met God, zoals David?
Belijd Hem dan je zonden, wacht daar niet mee, en keer je af van verkeerde wegen.
Zonde schept altijd verwijdering tussen God en ons.
We kunnen niet in Gods nabijheid komen als er zonde in ons leven is, deze zal als een onoverbrugbare kloof tussen Hem en ons instaan.
Jezus is de brug geworden door te sterven aan het kruis.
Belijdt en ontvang vergeving.
Belijdt en wordt witter dan sneeuw.
Belijdt en wordt vrij!
Werp door Uw woord en Geest Uw licht op mijn leven.
Ja, tot in het kleinste hoekje en laat mij zien waar er nog dingen moeten veranderen.
Kom met Uw waarheid in mijn hart.
Open mijn hart voor Uw wijsheid.
Was mij, reinig mij, van alle zonden.
Vergeef mij ook mijn verborgen zonden, opdat er niets tussen U en mij in zal blijven staan.
Leer mij zo te leven in Uw waarheid, dat als ik zondig, Uw Geest mij daar direct bewust van maakt en ik mijn zonden kan belijden.
Kom met Uw Geest van wijsheid tot in het diepst van mijn hart en leer mij, leidt mij.
Laat mijn leven een leven zijn, dat U vreugde geeft.
Leer mij daarom in Uw waarheid te wandelen en maak mij eerlijk en oprecht tot in het diepst van mij ziel.
In Jezus’ Naam.
– Amen –
O Heer, niets is mooier,
niets is beter,
niets is begerenswaardiger,
dan in Vrijheid te leven.
Vrij van elke aanklacht,
van elke schuld,
van elke zonde
ooit door mij bedreven.
Leid mij daarom, Heer,
in Uw waarheid,
leer mij
en geef mij wijsheid van hart.
Doe mij onderkennen
elke zonde,
elke smet,
die deze vrijheid tart.
Ik verlang te belijden, Heer,
alles wat er staat
tussen U en mij.
Vergeef mij; was mij rein!
Het is mijn diepst verlangen,
U te eren, U te dienen,
voor U te leven.
O God, van U alleen wil ik zijn.
©Rita Klapwijk
zondag 2 december 2012
Week 49 - Geestelijke gevoeligheid
Was mij schoon van mijn ongerechtigheid,
reinig mij van mijn zonde.
Want ik ken mijn overtredingen,
mijn zonde staat mij voortdurend voor ogen.
Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd,
ik heb gedaan wat kwaad is in Uw ogen,
zodat U rechtvaardig bent wanneer U rechtspreekt
en rein bent wanneer U oordeelt.
HSV
Was al mijn zonden af,
maak me weer rein.
Ik ken mijn schuld toch,
ze staat mij steeds voor ogen.
Tegen u heb ik gezondigd,
tegen u alleen,
want ik heb gedaan
wat u verafschuwt.
Terecht hebt u me veroordeeld,
uw vonnis is juist.
GNB
Psalm 51:4-6
(Bij deze tekst moet ik altijd denken aan het lied: ‘Create in me a clean heart, o God, and renew the right spirit into me’, maar dat is in dit geval meer iets voor aan het eind)
Bewust worden, bewust zijn van je zonden.
Hoe gevoelig zijn we daar voor?
Hoeveel tijd zit er tussen zonde en berouw?
Dat is waar Beth Moore op doelt met ‘Geestelijke fijngevoeligheid’.
Davids woorden komen nadat de profeet Nathan, gezonden door God, hem heeft gewezen op zijn zonden, overspel met Bathseba en de moord op Uria. (2 Samuël 11, 12:1-23)
De profeet Nathan komt bij David en aan de hand van een verhaal, waarin hij inspeelt op Davids gevoel voor rechtvaardigheid, wijst hij de zonden in Davids leven aan.
David zoekt geen uitvluchten, noch komt hij met allerlei excuses, nee, hij zegt heel eenvoudig: ‘Ik heb gezondigd tegen de Heere.’
Hij belijd zijn zonde en het wordt hem terstond vergeven.
(Zijn daden hadden echter ook gevolgen en consequenties, maar daar kom ik verderop op terug)
Maar dat Davids berouw dieper gaat dan alleen dit ene zinnetje, blijkt uit Psalm 51, die hij heeft geschreven nadat de profeet Nathan hem had onderhouden over zijn overspel met Bathseba.
Hij smeekt om Gods medelijden, terwijl hij God als het ware wijst op Zijn goedheid, Zijn liefde.
Nadat Nathan hem had gewezen op zijn zonden, staan ze hem voortdurend voor ogen, ze achtervolgen hem als het ware.
Zijn zondebesef ging heel diep; … zondig ben ik geboren, schuldig vanaf de moederschoot …
Hij beseft dat God alleen maar van hem verlangt dat hij oprecht is.
Ook vreugde kent hij niet meer: ‘… laat mij weer blij zijn, open mijn hart weer voor vreugde …’
Hij beseft, dat God niet in de eerste plaats naar brandoffers en vleesoffers verlangt, maar naar een offer van berouw; naar een gebroken en een verbrijzeld hart.
David beseft ten volle dat hij gezondigd heeft tegen God en dat God eigenlijk alle recht heeft om Zich van hem af te keren.
En David smeekt God om hem niet van Zich af te stoten, Zijn Heilige Geest niet van hem af te nemen.
Hoor hem smeken …
Wis mijn fouten uit.
Was al mijn zonden af.
Maak me weer rein.
Ik ken mijn schuld.
Tegen U heb ik gezondigd.
Besprenkel mij, was mij, dan word ik weer rein.
Spaar mijn leven.
Berouw is het offer dat U verlangt.
Een gebroken en een verbrijzeld hart veracht U niet, o God.
Kennen wij dit?
Kennen wij zulk een diep besef en berouw over onze zonden?
Staan wij open voor vermaning?
Mag God ons, ook door een ander heen, op onze zonden wijzen, of steigeren we gelijk al bij het idee en hebben we zoiets als, dat maakt God mijzelf dan wel duidelijk?
Nu zijn overspel met een zwangerschap tot gevolg en moord wel twee heel duidelijk zichtbare zonden, maar zijn voor God eigenlijk in wezen niet alle zonden gelijk?
Zelfs de kleinste zonde brengt scheiding tussen God en ons en zelfs voor de kleinste zonde moest de Here Jezus de kruisdood sterven.
We zijn ons ook lang niet altijd bewust van de zonden die we begaan.
Er zijn ook vele verborgen zonden in ons leven.
Ik moet hier aan denken, omdat David ook dit specifiek noemt in één van zijn andere Psalmen en daar ook vraagt of God hem zijn verborgen zonden wil vergeven.
Psalm 19:13 - ‘Zuiver mij van mijn verborgen zonden, want iedereen maakt fouten zonder het te weten.’
Hoe zeer zijn wij ons nog bewust van onze zonden, bewust of onbewust, en hebben we nog oprecht berouw?
En leidt ons berouw dan ook tot af keren van en het accepteren van eventuele gevolgen?
We leven in een tijd van compromissen en veel zaken, waarover Gods woord eigenlijk heel duidelijk is, wordt onder het mom van ‘om erger te voorkomen’ getolereerd en in aangepaste vorm geaccepteerd.
We doen concessies met tv kijken onder het mom van ‘het is maar een film, het is niet echt’ en we sluiten compromissen met onszelf en praten onszelf zo schoon.
En dit geldt voor zo vele dingen.
Het gevolg is echter dat we steeds minder gevoelig worden voor wat Gods woord zegt over wat zonden zijn, wat zondig is.
Wat Hem verdriet doet, wat scheiding brengt tussen Hem en ons.
Wees waakzaam, zegt Petrus, wees waakzaam!
Ja, aan de ene kant gaat de satan rond als een briesende leeuw en aan de andere kant sluipt hij als een stille moordenaar rond in onze huizen en verleidt ons met onze tv, onze computer, onze muziek, onze …
Hoe gevoelig zijn we nog voor De zachte stem van Gods Geest?
Horen we Hem nog wel, of zou Hij steeds harder tegen ons moeten schreeuwen?
Al hebben we dan wel een probleem, want Gods Geest is een gentleman, Die Zich niet opdringt, Die Zich niet verheft om maar gehoord te willen worden, Die ons de ruimte geeft voor onze eigen wil en keuzes.
En hoe langer een zonde in ons leven blijft bestaan, hoe moeilijker het ook kan zijn om er vanaf te komen en hoe groter ook de gevolgen kunnen zijn.
De gevolgen voor Davids zonden waren groot.
De verzen 10 t/m 14 spreken hierover, maar wat David en Bathseba als eerste hard treft, is het sterven van hun zoon.
Om wat David gedaan had, zou zijn zoon sterven.
Zijn kind wordt ziek en na zeven dagen sterft hij.
Wat ik zo ontzettend bijzonder vind, is hoe David hier mee omgaat.
Ook daarin ligt een enorme les voor ons.
De profeet Nathan gaat naar huis en Davids zoon wordt ernstig ziek.
Het eerste dat David gaat doen is bidden en heel streng vasten.
De Bijbel zegt zelfs dat David op de grond ging liggen en al die tijd dat zijn zoon ziek was, bleef hij daar liggen voor het aangezicht van God en at niet.
Het kind was voor zeven dagen ziek voor het stierf en toen het gestorven was, durfden Davids dienaren het niet eens tegen hem te zeggen, bevreesd als zij waren voor Davids reactie.
Hij had al die tijd niet naar hen willen luisteren, hoe zouden ze hem nu moeten zeggen dat zijn zoon dood is.
Ze waren gewoon bang dat hij zichzelf iets aan zou doen.
Maar David merkt dat er iets en hij vraagt of zijn zoon dood is.
Zijn dienaren bevestigen dat en gelijk staat David op van de grond, wast zich, zalft zich en trekt schonen kleding aan.
Vervolgens gaat hij naar Gods huis en kniel neer en bid.
Daarna gaat hij weer naar huis, vraagt om eten en eet.
Zijn dienaren begrijpen er niets van en vragen er dan ook naar.
‘Zeven dagen en nachten huilt, vast en bidt u en nu het kind dood is doet u alsof er niets aan de hand is en eet.
Davids antwoord raakt mij heel diep (2 Samuel 12:22,23); hij antwoordt hen: ‘Toen het kind nog leefde, vastte ik en stortte ik tranen. Ik dacht: Wie weet is de HEER me genadig en blijft het kind in leven. Maar nu het dood is, wat zou ik nu nog vasten? Daarmee kan ik het toch niet terughalen. Ik ga naar hem toe; hij komt niet terug bij mij.’
Als zijn kind ziek wordt, zoekt David Gods aangezicht en bid en smeekt hij of God hem, zijn kind, genadig wilt zijn en het weer beter zal maken, maar hij aanvaard het ook als God het niet doet.
Hij weet dat hij gezondigd heeft en hij accepteert de gevolgen daarvan.
Hij weet dat God rechtvaardig is en hij onderwerpt zich aan God.
Ik vind dit zo bijzonder!
God spreekt Zijn oordeel uit over David, David bidt en smeekt, maar accepteer ook Gods rechtvaardige oordeel.
Onze God is een rechtvaardige God.
Onze zonden worden niet meer zo direct bestraft als toen.
De komst van de Here Jezus heeft dat veranderd.
Ons oordeel op de zonde wacht ons na dit leven als een ieder van ons zal moeten verschijnen voor de rechterstoel van God.
David vreesde God niet, noch Zijn oordeel, want hij wist dat God een rechtvaardig God was, maar ook een liefdevol en genadig God.
Davids zonde werd hem vergeven, zijn kind stierf daarvoor en zijn hele huis en geslacht werd getroffen door de gevolgen van zijn keuzes, maar God liet hem niet aan zijn lot over.
David was, ondanks al zijn fouten en gebreken een man naar Gods hart.
En dit was, geloof ik, alleen maar zo, omdat David openstond voor Gods leiding en terechtwijzingen.
David heeft veel verkeerde keuzes gemaakt in zijn leven en zijn gezin was alles behalve een voorbeeld gezin, maar hij was en bleef God trouw tot in de dood en was gevoelig voor de stem van Gods geest als het ging om zijn zonden en ongerechtigheden.
Steeds opnieuw lezen we over David hoe hij God bid en smeekt om vergeving van zijn zonden en ongerechtigheden, zelfs die verbogen waren.
Hij vroeg God om het hem te laten zien: ‘Doorgrond mij, o God, en ken mijn hart,
beproef mij en ken mijn gedachten. Zie of er bij mij een schadelijke weg is
en leid mij op de eeuwige weg.’
David bezat een geestelijke gevoeligheid die hem heel dicht bij God hield en zorgde voor een bijzondere relatie met Hem, waardoor hij genoemd werd ‘een man naar Gods hart’.
O, wat verlang ik daar ook naar, een vrouw te zijn naar Gods hart.
Jij ook?
Lieve Vader in de hemel.
Wat verlang ik er ook naar om een vrouw te zijn, te worden, naar Uw hart.
Ik dank U, voor het getuigenis van Davids leven zoals dat opgeschreven staat in Uw woord.
David, een man naar Uw hart, en tegelijkertijd een mens als wij, met alle fouten en gebreken.
Wat kunnen we veel leren van zijn leven, van zijn woorden, van wie hij was, maar bovenal van zijn relatie met U.
Dank U, Vader, dat U werkelijk op alle mogelijke manieren naar ons toe komt en ons tegemoet komt.
En ik bid U om geestelijke gevoeligheid, zodat ik Uw zachte stem zal horen en verstaan en leer mij om ook te luisteren en te gehoorzamen.
Ik verlang naar een relatie met U, die steeds intiemer zal zijn en naar een leven dat steeds heiliger zal worden.
Ik verlang te zijn, een vrouw naar Uw hart.
In Jezus’ Naam.
- Amen –
Schep in mij, o God,
een rein en nieuw hart;
zuiver en reinig mij ook
van mijn verborgen zonden.
Maak mijn hart ontvankelijk
voor de stem van Uw Geest;
zacht en gevoelig, tot inkeer
van zonden en berouw.
Zodat het iedere dag
met U zal zijn verbonden.
©Rita Klapwijk
Create in me a clean heart, O God
And renew a right spirit within me
Create in me a clean heart, O God
And renew a right spirit within me
Cast me not away from thy presence, O Lord
Take not thy Holy Spirit from me.
Restore unto me the joy of my salvation.
And renew a right spirit within me
reinig mij van mijn zonde.
Want ik ken mijn overtredingen,
mijn zonde staat mij voortdurend voor ogen.
Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd,
ik heb gedaan wat kwaad is in Uw ogen,
zodat U rechtvaardig bent wanneer U rechtspreekt
en rein bent wanneer U oordeelt.
HSV
Was al mijn zonden af,
maak me weer rein.
Ik ken mijn schuld toch,
ze staat mij steeds voor ogen.
Tegen u heb ik gezondigd,
tegen u alleen,
want ik heb gedaan
wat u verafschuwt.
Terecht hebt u me veroordeeld,
uw vonnis is juist.
GNB
Psalm 51:4-6
(Bij deze tekst moet ik altijd denken aan het lied: ‘Create in me a clean heart, o God, and renew the right spirit into me’, maar dat is in dit geval meer iets voor aan het eind)
Bewust worden, bewust zijn van je zonden.
Hoe gevoelig zijn we daar voor?
Hoeveel tijd zit er tussen zonde en berouw?
Dat is waar Beth Moore op doelt met ‘Geestelijke fijngevoeligheid’.
Davids woorden komen nadat de profeet Nathan, gezonden door God, hem heeft gewezen op zijn zonden, overspel met Bathseba en de moord op Uria. (2 Samuël 11, 12:1-23)
De profeet Nathan komt bij David en aan de hand van een verhaal, waarin hij inspeelt op Davids gevoel voor rechtvaardigheid, wijst hij de zonden in Davids leven aan.
David zoekt geen uitvluchten, noch komt hij met allerlei excuses, nee, hij zegt heel eenvoudig: ‘Ik heb gezondigd tegen de Heere.’
Hij belijd zijn zonde en het wordt hem terstond vergeven.
(Zijn daden hadden echter ook gevolgen en consequenties, maar daar kom ik verderop op terug)
Maar dat Davids berouw dieper gaat dan alleen dit ene zinnetje, blijkt uit Psalm 51, die hij heeft geschreven nadat de profeet Nathan hem had onderhouden over zijn overspel met Bathseba.
Hij smeekt om Gods medelijden, terwijl hij God als het ware wijst op Zijn goedheid, Zijn liefde.
Nadat Nathan hem had gewezen op zijn zonden, staan ze hem voortdurend voor ogen, ze achtervolgen hem als het ware.
Zijn zondebesef ging heel diep; … zondig ben ik geboren, schuldig vanaf de moederschoot …
Hij beseft dat God alleen maar van hem verlangt dat hij oprecht is.
Ook vreugde kent hij niet meer: ‘… laat mij weer blij zijn, open mijn hart weer voor vreugde …’
Hij beseft, dat God niet in de eerste plaats naar brandoffers en vleesoffers verlangt, maar naar een offer van berouw; naar een gebroken en een verbrijzeld hart.
David beseft ten volle dat hij gezondigd heeft tegen God en dat God eigenlijk alle recht heeft om Zich van hem af te keren.
En David smeekt God om hem niet van Zich af te stoten, Zijn Heilige Geest niet van hem af te nemen.
Hoor hem smeken …
Wis mijn fouten uit.
Was al mijn zonden af.
Maak me weer rein.
Ik ken mijn schuld.
Tegen U heb ik gezondigd.
Besprenkel mij, was mij, dan word ik weer rein.
Spaar mijn leven.
Berouw is het offer dat U verlangt.
Een gebroken en een verbrijzeld hart veracht U niet, o God.
Kennen wij dit?
Kennen wij zulk een diep besef en berouw over onze zonden?
Staan wij open voor vermaning?
Mag God ons, ook door een ander heen, op onze zonden wijzen, of steigeren we gelijk al bij het idee en hebben we zoiets als, dat maakt God mijzelf dan wel duidelijk?
Nu zijn overspel met een zwangerschap tot gevolg en moord wel twee heel duidelijk zichtbare zonden, maar zijn voor God eigenlijk in wezen niet alle zonden gelijk?
Zelfs de kleinste zonde brengt scheiding tussen God en ons en zelfs voor de kleinste zonde moest de Here Jezus de kruisdood sterven.
We zijn ons ook lang niet altijd bewust van de zonden die we begaan.
Er zijn ook vele verborgen zonden in ons leven.
Ik moet hier aan denken, omdat David ook dit specifiek noemt in één van zijn andere Psalmen en daar ook vraagt of God hem zijn verborgen zonden wil vergeven.
Psalm 19:13 - ‘Zuiver mij van mijn verborgen zonden, want iedereen maakt fouten zonder het te weten.’
Hoe zeer zijn wij ons nog bewust van onze zonden, bewust of onbewust, en hebben we nog oprecht berouw?
En leidt ons berouw dan ook tot af keren van en het accepteren van eventuele gevolgen?
We leven in een tijd van compromissen en veel zaken, waarover Gods woord eigenlijk heel duidelijk is, wordt onder het mom van ‘om erger te voorkomen’ getolereerd en in aangepaste vorm geaccepteerd.
We doen concessies met tv kijken onder het mom van ‘het is maar een film, het is niet echt’ en we sluiten compromissen met onszelf en praten onszelf zo schoon.
En dit geldt voor zo vele dingen.
Het gevolg is echter dat we steeds minder gevoelig worden voor wat Gods woord zegt over wat zonden zijn, wat zondig is.
Wat Hem verdriet doet, wat scheiding brengt tussen Hem en ons.
Wees waakzaam, zegt Petrus, wees waakzaam!
Ja, aan de ene kant gaat de satan rond als een briesende leeuw en aan de andere kant sluipt hij als een stille moordenaar rond in onze huizen en verleidt ons met onze tv, onze computer, onze muziek, onze …
Hoe gevoelig zijn we nog voor De zachte stem van Gods Geest?
Horen we Hem nog wel, of zou Hij steeds harder tegen ons moeten schreeuwen?
Al hebben we dan wel een probleem, want Gods Geest is een gentleman, Die Zich niet opdringt, Die Zich niet verheft om maar gehoord te willen worden, Die ons de ruimte geeft voor onze eigen wil en keuzes.
En hoe langer een zonde in ons leven blijft bestaan, hoe moeilijker het ook kan zijn om er vanaf te komen en hoe groter ook de gevolgen kunnen zijn.
De gevolgen voor Davids zonden waren groot.
De verzen 10 t/m 14 spreken hierover, maar wat David en Bathseba als eerste hard treft, is het sterven van hun zoon.
Om wat David gedaan had, zou zijn zoon sterven.
Zijn kind wordt ziek en na zeven dagen sterft hij.
Wat ik zo ontzettend bijzonder vind, is hoe David hier mee omgaat.
Ook daarin ligt een enorme les voor ons.
De profeet Nathan gaat naar huis en Davids zoon wordt ernstig ziek.
Het eerste dat David gaat doen is bidden en heel streng vasten.
De Bijbel zegt zelfs dat David op de grond ging liggen en al die tijd dat zijn zoon ziek was, bleef hij daar liggen voor het aangezicht van God en at niet.
Het kind was voor zeven dagen ziek voor het stierf en toen het gestorven was, durfden Davids dienaren het niet eens tegen hem te zeggen, bevreesd als zij waren voor Davids reactie.
Hij had al die tijd niet naar hen willen luisteren, hoe zouden ze hem nu moeten zeggen dat zijn zoon dood is.
Ze waren gewoon bang dat hij zichzelf iets aan zou doen.
Maar David merkt dat er iets en hij vraagt of zijn zoon dood is.
Zijn dienaren bevestigen dat en gelijk staat David op van de grond, wast zich, zalft zich en trekt schonen kleding aan.
Vervolgens gaat hij naar Gods huis en kniel neer en bid.
Daarna gaat hij weer naar huis, vraagt om eten en eet.
Zijn dienaren begrijpen er niets van en vragen er dan ook naar.
‘Zeven dagen en nachten huilt, vast en bidt u en nu het kind dood is doet u alsof er niets aan de hand is en eet.
Davids antwoord raakt mij heel diep (2 Samuel 12:22,23); hij antwoordt hen: ‘Toen het kind nog leefde, vastte ik en stortte ik tranen. Ik dacht: Wie weet is de HEER me genadig en blijft het kind in leven. Maar nu het dood is, wat zou ik nu nog vasten? Daarmee kan ik het toch niet terughalen. Ik ga naar hem toe; hij komt niet terug bij mij.’
Als zijn kind ziek wordt, zoekt David Gods aangezicht en bid en smeekt hij of God hem, zijn kind, genadig wilt zijn en het weer beter zal maken, maar hij aanvaard het ook als God het niet doet.
Hij weet dat hij gezondigd heeft en hij accepteert de gevolgen daarvan.
Hij weet dat God rechtvaardig is en hij onderwerpt zich aan God.
Ik vind dit zo bijzonder!
God spreekt Zijn oordeel uit over David, David bidt en smeekt, maar accepteer ook Gods rechtvaardige oordeel.
Onze God is een rechtvaardige God.
Onze zonden worden niet meer zo direct bestraft als toen.
De komst van de Here Jezus heeft dat veranderd.
Ons oordeel op de zonde wacht ons na dit leven als een ieder van ons zal moeten verschijnen voor de rechterstoel van God.
David vreesde God niet, noch Zijn oordeel, want hij wist dat God een rechtvaardig God was, maar ook een liefdevol en genadig God.
Davids zonde werd hem vergeven, zijn kind stierf daarvoor en zijn hele huis en geslacht werd getroffen door de gevolgen van zijn keuzes, maar God liet hem niet aan zijn lot over.
David was, ondanks al zijn fouten en gebreken een man naar Gods hart.
En dit was, geloof ik, alleen maar zo, omdat David openstond voor Gods leiding en terechtwijzingen.
David heeft veel verkeerde keuzes gemaakt in zijn leven en zijn gezin was alles behalve een voorbeeld gezin, maar hij was en bleef God trouw tot in de dood en was gevoelig voor de stem van Gods geest als het ging om zijn zonden en ongerechtigheden.
Steeds opnieuw lezen we over David hoe hij God bid en smeekt om vergeving van zijn zonden en ongerechtigheden, zelfs die verbogen waren.
Hij vroeg God om het hem te laten zien: ‘Doorgrond mij, o God, en ken mijn hart,
beproef mij en ken mijn gedachten. Zie of er bij mij een schadelijke weg is
en leid mij op de eeuwige weg.’
David bezat een geestelijke gevoeligheid die hem heel dicht bij God hield en zorgde voor een bijzondere relatie met Hem, waardoor hij genoemd werd ‘een man naar Gods hart’.
O, wat verlang ik daar ook naar, een vrouw te zijn naar Gods hart.
Jij ook?
Lieve Vader in de hemel.
Wat verlang ik er ook naar om een vrouw te zijn, te worden, naar Uw hart.
Ik dank U, voor het getuigenis van Davids leven zoals dat opgeschreven staat in Uw woord.
David, een man naar Uw hart, en tegelijkertijd een mens als wij, met alle fouten en gebreken.
Wat kunnen we veel leren van zijn leven, van zijn woorden, van wie hij was, maar bovenal van zijn relatie met U.
Dank U, Vader, dat U werkelijk op alle mogelijke manieren naar ons toe komt en ons tegemoet komt.
En ik bid U om geestelijke gevoeligheid, zodat ik Uw zachte stem zal horen en verstaan en leer mij om ook te luisteren en te gehoorzamen.
Ik verlang naar een relatie met U, die steeds intiemer zal zijn en naar een leven dat steeds heiliger zal worden.
Ik verlang te zijn, een vrouw naar Uw hart.
In Jezus’ Naam.
- Amen –
Schep in mij, o God,
een rein en nieuw hart;
zuiver en reinig mij ook
van mijn verborgen zonden.
Maak mijn hart ontvankelijk
voor de stem van Uw Geest;
zacht en gevoelig, tot inkeer
van zonden en berouw.
Zodat het iedere dag
met U zal zijn verbonden.
©Rita Klapwijk
Create in me a clean heart, O God
And renew a right spirit within me
Create in me a clean heart, O God
And renew a right spirit within me
Cast me not away from thy presence, O Lord
Take not thy Holy Spirit from me.
Restore unto me the joy of my salvation.
And renew a right spirit within me
zondag 19 augustus 2012
Week 34 - Verdriet over zonde
Nu verblijd ik mij, niet omdat u bedroefd bent geweest, maar omdat u bedroefd bent geweest tot bekering. Want u bent bedroefd geweest overeenkomstig de wil van God, zodat u in geen enkel opzicht door ons schade hebt geleden.
Want de droefheid die overeenkomstig de wil van God is, brengt een onberouwelijke bekering tot zaligheid teweeg, maar de droefheid van de wereld brengt de dood teweeg.
HSV
Maar nu ben ik blij, niet om uw droefheid maar omdat uw droefheid geleid heeft tot een verandering in uw gedrag.
Want u was bedroefd zoals God dat bedoelde, en daarom hebt u geen schade ondervonden van wat wij u aandeden.
GNB
2 Korinthe 7:9,10
Verdriet over zonde …
Berouw…
Inkeer …
Toen zei David tegen Nathan: Ik heb gezondigd tegen de HEERE.
En Nathan zei tegen David: De HEERE heeft ook uw zonde weggenomen; u zult niet sterven.
2 Samuël 12:13
Onmiddellijk kraaide er een haan.
Toen herinnerde Petrus zich dat Jezus gezegd had: ‘Nog vóór de haan kraait, zul je driemaal beweren dat je Mij niet kent.’
En hij ging naar buiten en huilde bittere tranen.
Mattheüs 26:75
Maar de tollenaar bleef achteraf staan en durfde zelfs zijn ogen niet naar de hemel op te slaan.
Hij zei, terwijl hij zich op de borst sloeg: O God, ik ben een zondaar.
Wees mij genadig!
Lucas 18:30
Het verwijzingspijltje bij 2 Korinthe 7:10 (HSV & SV) geeft de bovenstaande voorbeelden van mensen uit de Bijbel die berouw hebben over hun zonde.
En eerlijk gezegd was ik daar best blij mee.
Ik had al na lopen denken over dit onderwerp en daarmee natuurlijk ook over mijn eigen berouw over zonde, en mijn gedachten knaagden soms een beetje.
Ik voel er niet altijd echt iets erbij, het gaat niet altijd gepaard met vele of bittere tranen.
Zou het dan toch niet oprecht zijn?
Berouw hebben over, daar horen toch emoties bij, of toch niet?
Of de ene keer wel en de andere keer niet?
Of is iets anders belangrijker dan emoties?Hoewel ik het antwoord diep in mijn hart best wel weet, knagen dit soort gedachten soms toch; al denk ik na het schrijven van dit stukje niet meer.
In de bovenstaande voorbeelden reageren alle drie de mannen anders.
David zegt dat hij gezondigd heeft, terwijl Petrus wegloopt en bittere tranen huilt.
En de tollenaar slaat zichzelf op de borst terwijl hij vol wroeging God erkent dat hij een zondaar is; hij durft niet eens naar voren te gaan in de tempel, noch zijn ogen op te slaan naar de hemel.
Hoewel het laatste voorbeeld een voorbeeld is uit een gelijkenis van de Here Jezus, toch vertellen alle drie de voorbeelden over echt berouw over hun zonde.
Hun reactie is verschillend in uiting, maar hun berouw diep en echt.
Over de tollenaar zegt de Here Jezus:
‘Ik zeg u: Deze man ging gerechtvaardigd terug naar zijn huis, in tegenstelling tot die andere.’
Uit het laatste voorbeeld, dat van de tollenaar en de Farizeeër, blijkt ook dat hoogmoed en nederigheid twee woorden zijn die nauw samenhangen met berouw hebben over zonde.
Kijk maar eens naar de Farizeeër, zijn hoogmoed maak hem blind voor zijn zonde, terwijl de tollenaar zich het liefst zo klein mogelijk maakt in besef eigenlijk onwaardig te zijn.
Je zonden niet willen/kunnen belijden betekent dan automatisch dat je hoogmoedig bent.
En God heeft juist de nederigen van hart zo lief!
Voor hen is er genade! (Jacobus 6:4,10; 1 Petrus 5:5)
De echtheid van berouw blijkt echter niet uit of je wel of niet huilt, ook niet uit de hoeveelheid tranen die je vergiet, maar uit het feit of er een verandering komt in je levenswijze/levenswandel.
Je kunt onmogelijk echt berouw over je zonde hebben en moedwillig dezelfde zonde blijven begaan.
Let op het woordje ‘moedwillig’, dat betekent met opzet, bewust.
Echt berouw over je zonde betekent een verandering in je gedrag, een bekering, een afkeren van.
Daarom schrijft Paulus hierboven dat hij blij is; niet omdat de Korinthiërs verdrietig waren geworden van zijn brief, maar omdat hun verdriet over hetgeen hij hen geschreven had, geleid heeft tot veranderingen.
‘Droefheid overeenkomstig Gods wil’ noemt hij dat.
Met andere woorden, zij werden bedroefd omdat zij inzagen dat wat zij deden niet in overeenstemming was met Gods wil en zij beleden hun zonden en bekeerden zich van hun wegen.
Hierover verheugde Paulus, hierover was hij blij, want dit verdriet wat zij even hadden gehad zou hen geen schade brengen.
Soms, als God, of God door een ander heen, ons laat zien dat er dingen niet goed zijn in ons leven, niet in overeenstemming met Zijn wil, dan kunnen we misschien eerst wel boos worden, of heel verdrietig, of beiden, maar als het uiteindelijk een verandering te weeg brengt in ons leven, dan is ons verdriet (en soms onze strijd) ten goede geweest.
En het zal ons ook nooit beschadigen.
Een belangrijk aspect in het aangeven of iemand een verkeerde weg bewandeld, zonde doet, is liefde.
Paulus hakt niet met een botte bijl in de gemeente te Korinthe.
Het is bijzonder en een les voor ons allemaal om te lezen hoe hij zijn brief aan de gemeente begint.
Hij begint zijn brief met een zegen uit te spreken over deze gemeente en vervolgt met God te danken voor wie zij zijn, daarna pas komen zijn waarschuwingen en terechtwijzingen.
Welk een les ligt hierin voor ons!
Hoeveel mensen zijn en worden er (blijvend) beschadigd door de manier waarop zij terechtgewezen zijn/worden of een waarschuwing ontvangen/ontvingen.
Hoeveel mensen zijn er niet die het geloof aan de kant hebben gezet vanwege wat mensen zeiden of deden.
Diep gekwetst, beschadigd.
Ik moet nu ook even denken aan de splinter en de balk …
Goed om in gedachten te houden voordat we ooit anderen terechtwijzen.
(Mattheüs 7:1-5)
Verdriet over zonde …
Berouw …
Inkeer …
Afkeren van …
Lieve Vader in de hemel.
Dank U wel dat er bij U vergeving is.
Dank U wel voor het offer dat Uw Zoon voor ons heeft gebracht.
Dank U wel, Heer Jezus, dat U al onze zonden op U hebt genomen, waardoor wij vergeving kunnen ontvangen.
Dank U wel, dat er daardoor steeds een nieuw begin mogelijk is.
Dank U voor Uw woord, voor de voorbeelden die daarin staan waar wij weer van kunnen leren, maar die tevens ook een enorme bemoediging voor ons zijn.
Dank U wel, Vader, dank U wel.
Maar ik bid U ook om een nederig hart, een hart dat bereid is om correctie te ontvangen.
Een hart dat bereid is om af te keren van wat niet goed is in Uw ogen.
Een hart dat bereid is om zich te laten kneden en vormen naar Uw wil.
Een hart dat oprecht berouw heeft over haar zonden.
Maak mij, maak ons, bewust, Vader, over onze zonden, of we ook echt de bereidheid hebben om ons daarvan af te keren; over de oprechtheid van ons berouw.
Help ons daarbij, Vader, want het is niet altijd even makkelijk, soms zelfs erg moeilijk.
Dank U wel, dat U ons ook daarin tegemoet wilt komen en ons helpt als we erom vragen.
Ik prijs Uw Naam en verlang er meer en meer naar om op U te lijken en Uw wil te doen.
Ik houd van U, Vader.
Kneed en vorm mij maar.
Toon mij maar de gebieden in mijn leven die nog niet in overeenstemming zijn met Uw wil en laat mij zien wat het met U doet, opdat het verdriet over mijn zonden een verandering in mijn gedrag, in mijn levenswandel te weeg breng.
In Jezus ‘Naam
- Amen –
Verdriet hebben over mijn zonden;
berouw dat inkeer tot gevolg heeft
en mij doet afkeren van wat Hem
zoveel pijn en verdriet geeft.
Oprecht berouw en verdriet,
over mijn zonden en ongerechtigheden,
kan en mag mij niet onveranderd laten.
Immers, het offer dat Hij bracht
en de genade die ik ontvang,
moet mij alles wat niet is naar Zijn wil, doen haten.
©Rita Klapwijk
Want de droefheid die overeenkomstig de wil van God is, brengt een onberouwelijke bekering tot zaligheid teweeg, maar de droefheid van de wereld brengt de dood teweeg.
HSV
Maar nu ben ik blij, niet om uw droefheid maar omdat uw droefheid geleid heeft tot een verandering in uw gedrag.
Want u was bedroefd zoals God dat bedoelde, en daarom hebt u geen schade ondervonden van wat wij u aandeden.
GNB
2 Korinthe 7:9,10
Verdriet over zonde …
Berouw…
Inkeer …
Toen zei David tegen Nathan: Ik heb gezondigd tegen de HEERE.
En Nathan zei tegen David: De HEERE heeft ook uw zonde weggenomen; u zult niet sterven.
2 Samuël 12:13
Onmiddellijk kraaide er een haan.
Toen herinnerde Petrus zich dat Jezus gezegd had: ‘Nog vóór de haan kraait, zul je driemaal beweren dat je Mij niet kent.’
En hij ging naar buiten en huilde bittere tranen.
Mattheüs 26:75
Maar de tollenaar bleef achteraf staan en durfde zelfs zijn ogen niet naar de hemel op te slaan.
Hij zei, terwijl hij zich op de borst sloeg: O God, ik ben een zondaar.
Wees mij genadig!
Lucas 18:30
Het verwijzingspijltje bij 2 Korinthe 7:10 (HSV & SV) geeft de bovenstaande voorbeelden van mensen uit de Bijbel die berouw hebben over hun zonde.
En eerlijk gezegd was ik daar best blij mee.
Ik had al na lopen denken over dit onderwerp en daarmee natuurlijk ook over mijn eigen berouw over zonde, en mijn gedachten knaagden soms een beetje.
Ik voel er niet altijd echt iets erbij, het gaat niet altijd gepaard met vele of bittere tranen.
Zou het dan toch niet oprecht zijn?
Berouw hebben over, daar horen toch emoties bij, of toch niet?
Of de ene keer wel en de andere keer niet?
Of is iets anders belangrijker dan emoties?Hoewel ik het antwoord diep in mijn hart best wel weet, knagen dit soort gedachten soms toch; al denk ik na het schrijven van dit stukje niet meer.
In de bovenstaande voorbeelden reageren alle drie de mannen anders.
David zegt dat hij gezondigd heeft, terwijl Petrus wegloopt en bittere tranen huilt.
En de tollenaar slaat zichzelf op de borst terwijl hij vol wroeging God erkent dat hij een zondaar is; hij durft niet eens naar voren te gaan in de tempel, noch zijn ogen op te slaan naar de hemel.
Hoewel het laatste voorbeeld een voorbeeld is uit een gelijkenis van de Here Jezus, toch vertellen alle drie de voorbeelden over echt berouw over hun zonde.
Hun reactie is verschillend in uiting, maar hun berouw diep en echt.
Over de tollenaar zegt de Here Jezus:
‘Ik zeg u: Deze man ging gerechtvaardigd terug naar zijn huis, in tegenstelling tot die andere.’
Uit het laatste voorbeeld, dat van de tollenaar en de Farizeeër, blijkt ook dat hoogmoed en nederigheid twee woorden zijn die nauw samenhangen met berouw hebben over zonde.
Kijk maar eens naar de Farizeeër, zijn hoogmoed maak hem blind voor zijn zonde, terwijl de tollenaar zich het liefst zo klein mogelijk maakt in besef eigenlijk onwaardig te zijn.
Je zonden niet willen/kunnen belijden betekent dan automatisch dat je hoogmoedig bent.
En God heeft juist de nederigen van hart zo lief!
Voor hen is er genade! (Jacobus 6:4,10; 1 Petrus 5:5)
De echtheid van berouw blijkt echter niet uit of je wel of niet huilt, ook niet uit de hoeveelheid tranen die je vergiet, maar uit het feit of er een verandering komt in je levenswijze/levenswandel.
Je kunt onmogelijk echt berouw over je zonde hebben en moedwillig dezelfde zonde blijven begaan.
Let op het woordje ‘moedwillig’, dat betekent met opzet, bewust.
Echt berouw over je zonde betekent een verandering in je gedrag, een bekering, een afkeren van.
Daarom schrijft Paulus hierboven dat hij blij is; niet omdat de Korinthiërs verdrietig waren geworden van zijn brief, maar omdat hun verdriet over hetgeen hij hen geschreven had, geleid heeft tot veranderingen.
‘Droefheid overeenkomstig Gods wil’ noemt hij dat.
Met andere woorden, zij werden bedroefd omdat zij inzagen dat wat zij deden niet in overeenstemming was met Gods wil en zij beleden hun zonden en bekeerden zich van hun wegen.
Hierover verheugde Paulus, hierover was hij blij, want dit verdriet wat zij even hadden gehad zou hen geen schade brengen.
Soms, als God, of God door een ander heen, ons laat zien dat er dingen niet goed zijn in ons leven, niet in overeenstemming met Zijn wil, dan kunnen we misschien eerst wel boos worden, of heel verdrietig, of beiden, maar als het uiteindelijk een verandering te weeg brengt in ons leven, dan is ons verdriet (en soms onze strijd) ten goede geweest.
En het zal ons ook nooit beschadigen.
Een belangrijk aspect in het aangeven of iemand een verkeerde weg bewandeld, zonde doet, is liefde.
Paulus hakt niet met een botte bijl in de gemeente te Korinthe.
Het is bijzonder en een les voor ons allemaal om te lezen hoe hij zijn brief aan de gemeente begint.
Hij begint zijn brief met een zegen uit te spreken over deze gemeente en vervolgt met God te danken voor wie zij zijn, daarna pas komen zijn waarschuwingen en terechtwijzingen.
Welk een les ligt hierin voor ons!
Hoeveel mensen zijn en worden er (blijvend) beschadigd door de manier waarop zij terechtgewezen zijn/worden of een waarschuwing ontvangen/ontvingen.
Hoeveel mensen zijn er niet die het geloof aan de kant hebben gezet vanwege wat mensen zeiden of deden.
Diep gekwetst, beschadigd.
Ik moet nu ook even denken aan de splinter en de balk …
Goed om in gedachten te houden voordat we ooit anderen terechtwijzen.
(Mattheüs 7:1-5)
Verdriet over zonde …
Berouw …
Inkeer …
Afkeren van …
Lieve Vader in de hemel.
Dank U wel dat er bij U vergeving is.
Dank U wel voor het offer dat Uw Zoon voor ons heeft gebracht.
Dank U wel, Heer Jezus, dat U al onze zonden op U hebt genomen, waardoor wij vergeving kunnen ontvangen.
Dank U wel, dat er daardoor steeds een nieuw begin mogelijk is.
Dank U voor Uw woord, voor de voorbeelden die daarin staan waar wij weer van kunnen leren, maar die tevens ook een enorme bemoediging voor ons zijn.
Dank U wel, Vader, dank U wel.
Maar ik bid U ook om een nederig hart, een hart dat bereid is om correctie te ontvangen.
Een hart dat bereid is om af te keren van wat niet goed is in Uw ogen.
Een hart dat bereid is om zich te laten kneden en vormen naar Uw wil.
Een hart dat oprecht berouw heeft over haar zonden.
Maak mij, maak ons, bewust, Vader, over onze zonden, of we ook echt de bereidheid hebben om ons daarvan af te keren; over de oprechtheid van ons berouw.
Help ons daarbij, Vader, want het is niet altijd even makkelijk, soms zelfs erg moeilijk.
Dank U wel, dat U ons ook daarin tegemoet wilt komen en ons helpt als we erom vragen.
Ik prijs Uw Naam en verlang er meer en meer naar om op U te lijken en Uw wil te doen.
Ik houd van U, Vader.
Kneed en vorm mij maar.
Toon mij maar de gebieden in mijn leven die nog niet in overeenstemming zijn met Uw wil en laat mij zien wat het met U doet, opdat het verdriet over mijn zonden een verandering in mijn gedrag, in mijn levenswandel te weeg breng.
In Jezus ‘Naam
- Amen –
Verdriet hebben over mijn zonden;
berouw dat inkeer tot gevolg heeft
en mij doet afkeren van wat Hem
zoveel pijn en verdriet geeft.
Oprecht berouw en verdriet,
over mijn zonden en ongerechtigheden,
kan en mag mij niet onveranderd laten.
Immers, het offer dat Hij bracht
en de genade die ik ontvang,
moet mij alles wat niet is naar Zijn wil, doen haten.
©Rita Klapwijk
Abonneren op:
Posts (Atom)


