Posts tonen met het label God. Alle posts tonen
Posts tonen met het label God. Alle posts tonen

zondag 30 juni 2013

Week 27 - Afhankelijkheid

'Deze dingen hebben wel een schijnreden van wijsheid, door eigenwillige godsdienst en nederigheid, en verachting van het lichaam, maar ze zijn zonder enige waarde en dienen tot verzadiging van het vlees.'
HSV

'Dat alles heeft wel de schijn van wijsheid met zijn zelfbedachte religie, zijn nederige houding en lichaamskastijding, maar in feite is het van geen enkele waarde en streelt het alleen maar zelfzuchtige neigingen.'
GNB

Kolossenzen 2:23


Na een aardige tijd te hebben zitten worstelen met het onderwerp, de gegeven Bijbeltekst en hetgeen er op het kalendertje staat, realiseer ik me dat het woord ‘afhankelijkheid’ waarschijnlijk helemaal niet zo’n populair woord is.
Misschien kan ik zelfs wel zeggen dat het helemaal geen populair woord is.

Afhankelijkheid, afhankelijk zijn, is in de tijd waarin we leven eigenlijk ondenkbaar als je ook maar enigszins een eigen keuze hebt.
Natuurlijk hebben we niet altijd een keuze.
Er kunnen dingen gebeuren of spelen vanaf de geboorte waardoor we, in meer of mindere mate, ‘gedwongen’ afhankelijk zijn van anderen.
Maar dan nog zien we in deze maatschappij dat alles er op gericht is om, waar mogelijk is, zo min mogelijk afhankelijk te zijn van anderen.
Zelfredzaamheid en zelfstandigheid is een heel belangrijk goed in onze samenleving en  waar iedereen recht op heeft.
Soms lijkt het zelfs wel alsof je door afhankelijkheid, afhankelijk zijn van anderen, minder waard bent.

Als ik ga kijken naar de definitie en de synoniemen van afhankelijk/afhankelijkheid, dan klinkt dat ook inderdaad niet als iets waar je erg vrolijk van wordt.
Definitie: situatie dat je hulp van anderen nodig hebt; het steun of hulpbehoevend zijn van anderen.
Synoniemen o.a.: onzelfstandig, onvrijheid, knechtschap, ondergeschikt, hulpbehoevend, onderworpen.
Nou, laten we eerlijk zijn, niemand wil toch graag ondergeschikt, hulpbehoevend of onderworpen zijn.

Dit alles maakt het voor sommigen dan ook heel moeilijk om te geloven en het verlossende werk van de Here Jezus aan te nemen.
Als het namelijk gaat om het herstel van de relatie tussen God en ons mensen, om redding van ons leven, om vergeving van onze zonden, om het verkrijgen van het eeuwige leven, om verlossing, bevrijding, genezing, vrede …, dan zijn we volledig en totaal afhankelijk van Jezus Christus, Gods eigen Zoon.
Er is namelijk niets dat wij kunnen doen, of laten, dat onze redding/verlossing bewerkt.
Er is niets dat wij kunnen doen, of laten, waardoor onze relatie met God wordt herstelt.
We zijn daarin totaal afhankelijk van de Here Jezus, van Zijn genadegeschenk, van Zijn verlossingswerk, van wat Hij heeft gedaan voor ons.

Menig ongelovige denkt dat hij vrij is en dat gelovigen gebonden zijn.
En misschien is dat ook wel de boodschap die we vaak (ongemerkt) uitstralen.
Je moet Bijbel lezen, je moet naar de kerk op zondag, je moet bidden, je mag dit niet, je mag dat niet …
En hoewel dit natuurlijk niet de boodschap is die door iedereen wordt uitgedragen is het wel de boodschap die het langst blijft hangen.

De gedachten van velen zullen hierbij uitgaan naar de ‘zware’ kerk; hun leven staat immers redelijk bol van alle ge- en verboden.
En dat is ook wel zo, maar toen ik de Evangelische kringen binnenkwam, ontdekte ik langzaam aan, dat zij op sommige fronten net zo wettisch waren als waar zij de ‘zware’ kerken van beschuldigden; alleen op heel andere gebieden.
En veelal hadden/hebben ze het niet eens door.
Ik ervoer het soms alsof ik ontsnapt was aan het ene wettische gebeuren en het volgende er voor in de plaats was gekomen.
Inmiddels heb ik daar redelijk mijn weg in gevonden, maar soms blijft het lastig.

Op de een of andere manier lijkt het dus bijna in de mens te zitten om iets te moeten doen.
Ook zomaar iets aannemen van iemand zonder iets terug te doen, is schijnbaar heel erg moeilijk.
Geef iemand iets cadeau, doe iets voor iemand, … en hij/zij voelt zich vaak verplicht om op de één of andere manier iets terug te doen.
Soms lijkt dat ook zo het geval te zijn in ons geloof.
We ontvangen van de Here Jezus verlossing en we leggen onszelf vervolgens vaak nog weer allerlei dingen op wat wij dan weer voor Hem ‘moeten’ doen.
En negen van de tien keer zijn het door ons mensen zelf verzonnen dingen.

Dit lijkt ook het geval te zijn in Kolosse, want Paulus waarschuwt deze gemeente voor misleidende ideeën van mensen (vers 8) en hij zegt verderop:
‘Trek u dus niets aan van kritiek als het gaat om eten en drinken, het vieren van feestdagen, Nieuwe Maan of sabbat. (vers 16)

Blijkbaar houden de Kolossenzen er anders dan andere gebruiken op na wat betreft eetgewoonten of godsdienstige gebruiken.
Paulus zegt hen echter dat ze zich niets aan moeten trekken van wat mensen daarover zeggen, maar dat ze zich in alles moeten richten op de Here Jezus.

Dingen kunnen soms heel vroom en godsdienstig lijken; we kunnen onder de indruk raken van de discipline die sommige mensen hebben, maar dit wil nog niet zeggen dat iedereen het precies zo moet doen.
Het gaat niet om de middelen, het gaat om het doel en het doel is de Here Jezus.
Het gaat er niet om wat mensen zeggen, het gaat om wat Jezus zegt.
Of zoals op het kalendertje staat: Gods woord gaat niet over onze wil, maar over die van Hem.

Door onze zondige natuur zijn we niet in staat om vanuit onszelf te leven zoals Hij het van ons vraagt.
We kunnen onszelf van alles aanleren en/of een enorme discipline opleggen, regeltjes en zo gebruiken, de vraag is dan echter: wie volgen we dan nog, en wie eren we daarmee?
Zoals we afhankelijk zijn van de Here Jesus voor onze redding, zo zijn we ook van Hem afhankelijk als het gaat om te leven zoals Hij.

Als ik nog eens naar de definitie en de synoniemen kijk van het woord afhankelijkheid, en dit plaats in het licht van afhankelijk zijn van Jezus, van God, dan krijgt dit woord een heel andere betekenis.
Daar waar afhankelijkheid in deze wereld vaak een teken van zwakte is, is het in het geloof juist andersom.
Hoe meer wij afhankelijk zijn van God, hoe meer Hij juist met Zijn kracht door ons heen kan werken.
Jezus deed niets zonder toestemming van Zijn Vader.
Hij deed niets wat Hij Zijn Vader niet had zien doen.
Hij zegt zelfs: Ik kan van Mijzelf niets doen. (Johannes 6:30)
Hij leefde in volle afhankelijkheid van Zijn Vader.
Het was juist daardoor dat Hij was Die Hij was en kon doen wat Hij moest doen.
Als wij ook willen worden, willen zijn, die Hij ons bestemd heeft te zijn, dan zullen wij moeten leren leven in afhankelijkheid van Hem.

Afhankelijk zijn van God, is beseffen dat je hulpbehoevend bent, dat je het zonder Zijn hulp op geen enkel front, zelf kan.
Beseffen dat je de Here Jezus nodig hebt, Zijn lijden en sterven, Zijn opstanding, Zijn teruggaan naar de Vader, de door Hem beloofde Heilige Geest.
Afhankelijk zijn van God, is ook gehoorzaam zijn, Zijn wil zoeken boven die van jezelf.
Afhankelijk zijn van God, is sterven aan onszelf, Hij moet wassen, ik moet minder worden.
Afhankelijk zijn van God, is ook vrij zijn, geborgen zijn, vrede hebben, een koningskind zijn.
Vrij, want we hoeven het zelf niet meer te doen.
Geborgen, want Hij zorgt voor ons.
Vrede, want we rusten in Hem.
Koningskind, want we zijn kinderen van de Allerhoogste.

Afhankelijk zijn van God, van Jezus, van de Heilige Geest in ons, is geen teken zwakte, maar is juist onze kracht.
Want de kracht die vrijkwam toen Jezus opstond uit de dood, is onze kracht.
Zijn kracht wordt ten volle openbaar in onze zwakheid.


Lieve Vader in de hemel.
Wij mensen willen zo graag onafhankelijk zijn, dat we U zelfs vaak aan de kant duwen en als kleine kinderen klinken: ‘Ikke zelluf doen.’
Het ergste is, Vader, dat we ons er vaak ook nog niet eens van bewust zijn, totdat we stuklopen en moeten erkennen, we hebben het weer uit eigen kracht proberen te doen.
Vergeef ons, Vader, vergeef ons dat we vaak wel weten wat we moeten doen, maar het toch niet doen.
Ook hierin, Lieve Vader, zijn we ook afhankelijk van U, dat U ons helpt en leert.
Dank U wel, voor Uw geduld met ons.
Dank U voor Uw liefde voor ons.
Dank u voor Uw vergeving, iedere keer weer.
Help ons, Vader, om te leren leven in (volkomen) afhankelijkheid van U.
Niet mijn wil, maar Uw wil.
Niet wat mensen zeggen, maar wat U zegt.
Niet wat fijn en aangenaam is, maar wat goed is.
In Jezus’  Naam.

- Amen -


Ik heb een heerlijk vooruitzicht,
een wonderschone toekomst is wat mij wacht.
En in het leven hier op aarde,
ben ik sterk en vol van kracht.

Als ik moe ben,
word ik opgebeurd;
als ik geen kracht meer heb,
word ik weer sterk gemaakt.
Als ik niet weet waar ik heen moet gaan,
wordt mij de weg gewezen
en heel de weg die ik dan ga,
wordt over mij gewaakt.

Als ik verdrietig ben,
word ik liefdevol getroost.
Als ik niet meer verder kan,
opgetild en gedragen.
En als ik het allemaal niet meer weet,
het donker is om mij heen,
zelf geen uitkomst zie,
mag ik alles vragen.

Als ik bang ben,
is er een veilige plek.
En als ik wanhopig ben,
een toevluchtsoord.
Als stormen komen in mijn leven,
mijn schreeuw om hulp klinkt,
wordt elke schreeuw
gehoord.

De wereld noemt het zwakte,
ziet het als gebondenheid.
Misschien zelfs als blamage,
ondergeschikt en onzelfstandigheid.

Maar ik weet mij geborgen
in Zijn sterke hand.
Afhankelijk zijn van Hem
is juist mijn kracht en sterkte,
want Hij brengt mij veilig thuis
in mijn hemels Vaderland.


Gods rijke zegen
en een liefdevolle groet,
Rita

zondag 12 augustus 2012

Week 33 - Strijd

De eeuwige God is voor u een woning,
en onder u zijn eeuwige armen.
Hij verdrijft de vijand voor u uit,
en zegt: Vaag hem weg!
HSV

Van oudsher is God een schuilplaats,
zijn armen dragen u voor eeuwig.
Hij dreef uw vijand op de vlucht
en droeg u op: “Vernietig hem!”
NBV

Deuteronomium 33:27


Op de kalender van Beth Moore, van waaruit ik al deze stukjes en gedichten schrijf, worden we geleid naar David en Goliath.
We worden opgeroepen om onszelf als het ware te zien als de herdersjongen David die het op durft te nemen tegen de reus Goliath en onszelf de vraag te stellen, waardoor het kwam dat David het tegen hem op durfde te nemen.
Het antwoord staat er achter, maar als we zelf eens heel goed hiernaar gaan kijken en tot ons door gaan laten dringen, dan is het niet meer een antwoord wat je zomaar er achteraan leest, maar waarvan de diepte ook tot je door gaat dringen en waardoor je gaat beseffen dat vele van onze vijanden in wezen Gods vijanden zijn en dan wordt de strijd toch wel even heel anders.
Het is echter wel zo, dat als je je daarvan niet bewust blijft, het wegebt en je het zicht verliest op deze realiteit.
Ik ervaar het dan ook als heel goed om hier weer bij terug te worden gebracht; wat zeg ik, goed om hier weer bij terug te worden gebracht?
Mijn hart is opgewonden, want het brengt mij terug bij 1 Samuël 17:45b waar staat: ‘…,maar ik kom naar u toe in de Naam van de HEERE van de legermachten, de God van de gelederen van Israël, Die u gehoond hebt.’

*David, de kleine, rossige herdersjongen, werd door zijn vader naar zijn broers gestuurd om eens te kijken hoe het met hen is.
Zij waren met Koning Saul en de andere mannen van Israël ten strijde getrokken tegen de Filistijnen en hadden hun kamp opgeslagen in het Eikendal; de Filistijnen lagen tegenover hen gelegerd.

Iedere dag verscheen daar een kampvechter uit het kamp van de Filistijnen; een reus van een kerel van wel bijna drie meter lang.
Hij droeg een bronzen helm op zijn hoofd en droeg een borstpantser van schubben dat wel 50 kilo woog.
Bronzen platen bedekten zijn benen en een bronzen werpspies/kromzwaard hing over zijn schouder.
De schacht van zijn lans leek wel een boom uit een weefgetouw en de ijzeren punt woog ongeveer zes kilo en een schilddrager liep voor hem uit.
Al met al dus een zeer imposante gestalte.
Het bleef echter niet alleen bij het verschijnen, want iedere dag opnieuw, wel 40 dagen lang,’’s morgens en ’s avonds, hoonde hij het volk Israël, daagde hen uit en dreef de spot met hen.
En bij het horen van zijn woorden werden de Israëlieten erg bang.

David was de jongste van de acht zonen die Isaï had en hij werd door zijn vader erop uit gestuurd om eens polshoogte te nemen bij zijn broers en op een levensteken van hen mee naar huis te nemen.
Het was heel vroeg in de morgen toen David van huis vertrok en toen hij aankwam bij de plaats waar zijn broers gelegerd waren, was dat precies op het moment dat de beide legers in de gevechtslinie tegenover elkaar stonden.
David liet de spullen die hij van zijn vader had meegekregen snel achter bij één van de bewakers en liep snel naar de gevechtslinie.
Daar aangekomen vroeg hij zijn broers hoe het met hen ging en net terwijl hij met hen sprak, verscheen Goliath ten tonele.
En David hoorde de woorden die Goliath, dag in, dag uit, sprak.

Wat mij dan diep raakt en wat voor ons allemaal een geweldig voorbeeld is, zijn de woorden die David vervolgens spreekt. (vers 26)
‘Wat zal men de man doen die deze Filistijn verslaat en de smaad van Israël afwendt? Want wie is deze onbesneden Filistijn wel, dat hij de gelederen van de levende God durft te honen?’

Het lijkt wel alsof David helemaal niet ziet hoe groot die Goliath eigenlijk wel is, noch de uitrusting die hij draagt; hij schijnt alleen de woorden te horen die deze reus spreekt en in plaats van dat het hem angst aanjaagt, raken deze woorden zijn hart om de honende, spottende toon.
Zij, het volk Israël, zijn Gods volk, het uitverkoren volk!
Niemand mag zo tegen hen spreken!
En David raakt zeer ontstemd.

Saul hoorde van David, van zijn vragen en riep hem bij zich.
En opnieuw raken mij de woorden die David spreekt.
‘Laat geen mens vanwege hem de moed laten zinken.
Uw dienaar zal gaan en met deze Filistijn vechten.’

Ik kan me zo voorstellen hoe dit tafereel eruit moet hebben gezien.
David, de herdersjongen, die daar voor de koning staat; een koning waarvan geschreven staat dat, toen hij tot koning werd gezalfd (1 Samuël 9:2), hij een flinke, knappe jongeman was en dat niemand in Israël zo knap was als hij en ook met kop en schouders boven iedereen uitstak.
En dan komt daar zo’n kleine, jonge knul de koning vertellen, dat hij met die reus zal gaan vechten.
Het is dan ook niet verwonderlijk dat Saul hem hiervan wil weerhouden.

‘Jij, jij kunt toch niet met die Filistijn gaan vechten!
Je bent nog maar een jongen!
Hij, die Filistijn is een geboren vechter.
Heb je hem eigenlijk wel goed bekeken, jongeman?
Heb je wel gezien hoe groot hij is en wat voor uitrusting hij draagt?
Ach jongen toch, dat is toch niets voor jou, je bent maar een herdersjongen, een knulletje wat nog de schapen hoedt voor zijn vader.
Ga toch terug naar huis en laat het vechten maar aan ons over.

Maar David laat zich door niets en niemand van de wijs brengen.
Hij somt even op met welke gevaren hij al te maken heeft gehad met het hoeden van de schapen en laat zien, dat hij totaal niet bang is, noch geïmponeerd door Goliath’s verschijning.
Opnieuw raken mij zijn woorden en zijn geloof dat hierin doorklinkt: ‘De HEERE, Die mij uit de klauwen van de leeuw gered heeft en uit de klauwen van de beer, Die zal mij redden uit de hand van deze Filistijn.’
Met andere woorden: ik hoef het niet te doen, God zal voor mij strijden!

Saul trekt David nog zijn eigen kleding en wapenrusting aan, maar David is dat niet gewend en kan zich er nauwelijks in bewegen.
Snel trekt hij alles uit, en gaat zoals hij is.
Hij zoekt 5 gladde stenen uit de beek en stopt ze in zijn herderstas; zijn slinger neemt hij in de hand en zo loopt hij op Goliath toe.
Goliath verachtte hem, zegt Het Woord, omdat hij nog maar een jongen was en hij vervloekte David bij zijn goden.
Goliath daagt David uit: ‘Kom maar op, ik zal zorgen dat je het eten wordt van de aasgieren en roofdieren.

De kleine herdersjongen staat oog in oog met de reus, maar nog steeds laat hij zich door hem geen angst aanjagen.
En hij, deze kleine jongen, spreekt:

‘U komt naar mij toe met een zwaard, met een speer en met een werpspies, maar ik kom naar u toe in de Naam van de HEERE van de legermachten, de God van de gelederen van Israël, Die u gehoond hebt.
Op deze dag zal de HEERE u in mijn hand overleveren.
Ik zal u verslaan en uw hoofd van u wegnemen.
Ik zal deze dag de dode lichamen van het leger van de Filistijnen aan de vogels in de lucht geven en aan de dieren van de aarde, en heel de aarde zal weten dat Israël een God heeft.
En deze hele gemeente zal weten dat de HEERE niet door zwaard of door speer verlost, want de strijd is van de HEERE.
Hij zal u in onze hand geven.

En terwijl ze op elkaar toelopen, pakt David één van de stenen die hij heeft meegnomen, stopt hem in de slinger en gooit de steen naar de reus en raakt hem precies midden in het voorhoofd.
En Goliath stort op de aarde neer, waarna David hem het hoofd afhakt met zijn eigen zwaard.

David, een kleine herdersjongen, maar met de moed van een reus.
Waar kwam die moed vandaan?
Waarom werd hij niet bang net als al die andere Israëlieten?
Wat zag hij wat zij niet zagen?
Wat hoorde hij wat zij niet hoorden?

Er zijn een paar dingen die mij diep raken in dit stukje en die mij opnieuw doordringen van het feit, dat, al dan wel of niet sterk en krachtig zijn, moed en vertrouwen hebben, afhankelijk zijn van hoe wij kijken, op wie of wat wij zien.

- … Wie is deze onbesneden Filistijn wel, dat hij de gelederen van de levende God durft
   te honen?
- Laat geen mens vanwege hem de moed laten zinken.
- De HEERE, Die mij uit de klauwen van de leeuw gered heeft en uit de klauwen van de
   beer, Die zal mij redden uit de hand van deze Filistijn.
- …, maar ik kom naar u toe in de Naam van de HEERE van de legermachten, de God
   van de gelederen van Israël, Die u gehoond hebt.

Met andere woorden: Ik (David) zie die reus wel, maar hij heeft het lef om Gods kinderen te beschimpen.
De moed laten zakken?
Kom op zeg, ben je vergeten wie onze God is?
God heeft mij gered van beren en leeuwen, en Hij zal mij ook redden van die Filistijn,
want in Zijn Naam ga ik op de gast af!
David ziet voorbij de reus Goliath, hij ziet God!
David ziet voorbij die imponerende gestalte, Hij ziet de grootheid en de almacht van zijn God!
David hoort de woorden, maar zijn hart raakt verbolgen en doet pijn om God, om Gods volk, waartoe hij behoort.
Hij weet wie hij in God is, wie God voor hem is en hij gelooft en vertrouwt!
Maar David besefte ook, dat Goliath niet alleen hun vijand was, maar boven alles Gods vijand was.
In wezen werd niet het volk Israël uitgedaagd, maar God zelf.

De boze komt vaak met een heleboel bombarie op ons af.
Hij is erop uit om ons bang te maken, klein te maken, zodat we lam gelegd worden en vergeten om onze wapens op te nemen en te strijden.
Want hij weet, dat als wij gaan staan in de positie die we gekregen hebben met dat we tot geloof gekomen zijn, namelijk Zijn erfgenamen, Zijn kinderen, Zijn eigendom, hij geen schijn van kans maakt.
Want in Hem zijn wij meer dan over winnaar!; zegt Gods woord.
Daarom zijn de wapens die we van Hem hebben gekregen ook geestelijke wapens, want de echte strijd die we hebben te voeren is een geestelijke strijd.
We moeten leren kijken met andere ogen, met geestelijke ogen en dat is wat David deed.
En dan gaan we zien, dat veel gevechten die we te leveren hebben in het dagelijks leven eigenlijk niet om ons zijn of tegen ons, maar tegen God.
In Zijn Naam en in Zijn kracht moeten we leren gaan staan en strijden en daarin moeten we niet vergeten dat Hijzelf voor ons uitgaat om met en voor ons te strijden.
Hij laat ons nooit alleen!
De tekst waarmee dit stukje begint zegt dat God Zelf de vijand voor ons uitdrijft en Hij draagt ons op om de vijand te vernietigen.
We hoeven daarin nooit bang te zijn of de moed te verliezen, want Hij is ons tot een woning, een schuilplaats en Zijn eeuwige armen zijn onder ons, dragen ons!

David toonde ons wat er kan gebeuren als wij op God zien in plaats van op onze vijand.
En onze vijand komt in vele vormen en omstandigheden, maar als we in alles op God blijven zien en op Hem onze hoop en vertrouwen vestigen, net als David, dan zullen we ook net als David, onze vijand overwinnen en verslaan.




O, lieve vader in de hemel, mijn hart brandt van vuur door deze woorden van U.
Het brandt van dankbaarheid, om wat U ons aanreikt door ons deelgenoot te maken van wat U in en door Davids leven heen hebt gedaan.
Het brandt van liefde voor U, van verlangen om in het de praktijk te brengen, om niet meer op mijn ‘vijanden’ te zien, maar op U.
Ik bid U met heel mijn hart om geestelijke ogen, om ogen die zien wat achter de dingen die gebeuren ten grondslag ligt, de werkelijke vijand te kunnen zien.
Mijn hart verlangt, mijn hart brandt, voor U, voor wie U bent en voor wat U allemaal heeft gedaan.
Mijn hart verlangt ernaar, brandt, om het door te geven.
Om ook anderen aan te sporen om op U te zien en niet op omstandigheden of wat dan ook.
U bent God, de Almachtige!
De Eeuwige, die was, is en komt!
Die alles vast in handen heeft!
U bent het, onze alles in al.
U bent onze schuilplaats, onze woning; Uw armen, Uw eeuwige armen, zijn onder ons.
O Vader God, U komt toe alle lof en eer.
Maak dat mijn hart net zo verbolgen raakt als dat van David als Uw Naam, Uw eer, in het gedrang komt en leer mij daarin om net als David op de juiste wijze te reageren.

In Jezus ‘Naam.

- Amen -




Zie de vijand in de ogen,
ontdek tegen wie je werkelijk vecht.
Treed hem tegemoet in de Naam
van de Heer der legermachten
en zie hoe Hij voor jou
de strijd beslecht.
Laat je geen angst aanjagen
door zijn tomeloze
en uitdagend gepraat.
Zie op Hem,
ga in Zijn Naam
en onthoudt te allen tijd,
dat Hij naast je staat.
Laat de moed niet zakken,
hoe hevig de strijd ook is.
God zal met en voor je strijden,
ja, zeker en gewis.

©Rita Klapwijk

* 1 Samuël 17

zondag 15 juli 2012

Week 29 - Ontzagwekkende God

Niemand, HEERE, is U gelijk,
groot bent U en groot is Uw Naam in sterkte.
Wie zou U niet vrezen, Koning van de heidenvolken?
Want dat komt U toe.
Immers, onder al de wijzen van de heidenvolken
en in heel hun koninkrijk is niemand U gelijk.
HSV

Niemand is als U, o HEER, U bent groot,
groot is Uw naam door Uw kracht.
Wie zou geen ontzag voor U hebben?
Koning van de volken, dat komt U immers toe.
Onder alle wijzen van de volken,
onder al hun koningen is niemand als U.
NBV

Jeremia 10:6,7

Niemand is aan U gelijk!
Wie zou U niet vrezen; wie zou voor U geen ontzag hebben?
U bent groot; U bent een ontzagwekkende God!
Er is niemand te vinden die aan U gelijk is!

Ja, we hebben een ontzagwekkende God!
En als ik hier zo mee bezig ben, moet ik bekennen en belijden dat ik me helaas niet altijd bewust ben van hoe ontzagwekkend groot onze God eigenlijk is.
Als ik dat zou zijn, zou ik me waarschijnlijk veel minder zorgen maken en me soms niet zo zwak en zelfs verslagen voelen.
Maar daar wil ik het niet over hebben.
Ik wil Zijn woord induiken en zien hoe ontzagwekkend groot Hij is en me dat opnieuw voorhouden.
Ik wil zoeken in Zijn woord naar woorden die Zijn grootheid erkennen, belijden en weergeven, zodat ik Zijn woord weer kan gebruiken als in een gebed tot eer van Hem en tot bemoediging voor mezelf en anderen.
Want als ik zie op Hem, op wie Hij is, op Zijn grootheid en kracht, en tot me door laat dringen dat deze ontzagwekkende God mijn Vader is, dan verdwijnen de zorgen en problemen naar de achtergrond.
O ja, ze zijn er dan nog wel, maar ik weet dan weer meer dan ooit, dat Hij bij machte is om alles op te lossen en te veranderen.
En dat Hij, in Zijn oneindige wijsheid zal doen, op Zijn tijd en wijze, wat voor mij het beste is.

Ik besef ook, dat ik met mijn woorden tekortschiet om Hem te eren en groot te maken; weer te geven hoe ontzagwekkend groot Hij is.
Ik kan me voorstellen, dat Hij Zich soms afvraagt tegen wie of over wie ik (wij?) het heb, als ik met mijn armzalige woordkeus Hem benader.
Maar ik weet, dat Hij boven alles mijn hart kent en daardoor weet, dat ik wil leren om Hem de plaats te geven, en de lof, eer en dank, die Hem, en Hem alleen, toekomt.
Daarom zal hetgeen ik hier verder neerschrijf, niet van mijzelf zijn, maar van Hem.
Woorden die Hijzelf aan ons heeft gegeven en waarvan ik gebruik wil maken om iets te laten zien van de ontzagwekkende God die Hij is.




Lieve Vader in de hemel.
Allereerst wil ik zo bij U komen om U te danken dat Ik U, die ontzagwekkende God, mijn Vader mag noemen.
Ik besef, Vader, dat ik geen woorden heb zelf, die toereikend zijn om U te benoemen.
En ik besef ook, dat als ik het allemaal zou willen neerschrijven, ik Uw gehele woord over zou moeten nemen.
Daarom bid ik U om de leiding van Uw Heilige Geest om die woorden te aan te wijzen, waarvan U wilt dat ik ze gebruik om iets van U te laten zien.
Leidt mij zo, Vader, door Uw Geest in Uw woord.
In Jezus’ Naam.

- Amen –




Voor de bergen ontstonden,
voor U de aarde schiep,
was U al God.
U bent God,
alle eeuwen door.

De hemel getuigt van Uw wonderen, Heer,
de engelen roemen Uw trouw.
Want wie is daar boven de wolken als U,
wie van de goden is aan U gelijk?
U bent gevreesd in de raad der engelen,
U wekt ontzag bij allen die U omringen.
Heer, almachtige God,
wie is sterk als U?
Trouw straalt er van U uit.

U heerst over de onstuimige zee,
de hoogste golven brengt U tot bedaren.
Van U is de hemel, van U is de aarde,
de wereld en haar bewoners,
U zette haar onwrikbaar vast,
U bepaalde het noorden en het zuiden,
De Tabor en de Hermon,
die geweldige bergen,
zij getuigen van Uw kracht.
Uw macht reikt ver,
U hoeft Uw hand, Uw arm maar op te heffen.

De Heer is Koning.
Hij is bekleed met het hoogste gezag,
met macht en majesteit.
De aarde staat nu onwankelbaar vast.
Heer, vast staat van oudsher Uw troon,
U bent er vanaf het eerste begin.
De oceaan gaat tekeer,
onstuimig gaat hij tekeer;
onstuimig bruist de branding.
Maar machtiger dan de bulderende zee,
machtiger dan de aanstormende golven,
bent U, Heer, hoog in de hemel.
Uw uitspraken blijven gelden;
Uw huis is de heilige tempel
voor nu en altijd.

Want de Heer is een groot God,
een machtig Koning,
groter en machtiger
dan alle goden.
Hij beheerst de diepten der aarde,
de toppen van de bergen.
Zee en land behoren Hem toe,
Hij heeft ze gemaakt.

Kom,
laten wij neerknielen,
ons buigen,
ons neerwerpen voor de Heer.
Hij heeft ons gemaakt.
Hij is onze God,
wij zijn Zijn volk;
Hij is de Herder,
wij zijn de kudde.

Luister toch
naar wat Hij nu te zeggen heeft.

Wie de Heer liefhebben,
moeten het kwaad uit de weg gaan.
Erken de macht van de Heer, onze God,
buig U neer voor Zijn heilige berg,
want de Heer, onze God, is heilig.

Alle volken zullen de Heer vrezen,
alle koningen op aarde Zijn macht erkennen.
Want de Heer heeft Sion weer opgebouwd,
Hij verschijnt er in al Zijn majesteit.

Eens hebt U de aarde vastgezet,
de hemel hebt U zelf gemaakt.
Eens zullen zij vergaan,
maar U blijft bestaan.
Zij zullen versluiten als een kleed,
U legt ze af als een mantel
en zij verdwijnen in het niet;
maar U blijft wie U bent,
Uw leven neemt geen einde.

Selah

Zoals een vader van zijn kinderen houdt,
zo houdt Hij van wie Hem vereren.
Hij kent onze broosheid,
Hij weet dat wij maar stof zijn.
Kort is het leven van een mens,
hij is als een bloem in het gras:
een windvlaag, en het is gedaan,
je vindt haar niet meer terug.
Maar Gods liefde duurt eeuwig
voor wie Hem vereren;
Zijn heil is bestemd voor alle geslachten,
voor wie zich houdt aan Zijn verbond
en Zijn geboden naleeft.

Selah

Heer, ik wil U eren
met hart en ziel,
ik wil een lied voor U zingen
ten aanhoren van alle goden.
Ik zal neerknielen,
met mijn gezicht naar Uw heiligdom,
en U prijzen
om Uw liefde,
om uw trouw.
Want U doet Uw woord gestand,
U houdt Uw Naam in ere.

Hemel en aarde, breng eer aan God,
en ook jullie, zeeën met al je vissen.
Hij zal Sion bevrijden,
de steden van Juda weer opbouwen.
De mensen kunnen er weer wonen,
het land wordt hun rechtmatig bezit.
De kinderen van wie Hem dienen
zullen het bezitten,
wie Hem liefhebben
blijven er wonen.

Wie zich verheugt over mijn ondergang,
zal bedrogen uitkomen,
rood worden van schaamte.
Wie over mij triomfeert,
zal overdekt worden met schande.
Maar wie mijn recht wil,
zal van vreugde juichen
en steeds weer uitroepen:
‘Machtig is de Heer!
 Hij wil slechts het geluk van Zijn dienaar!’
Overal zal ik verkondigen
dat U recht doet.
Ik zal U hulde brengen,
dag in, dag uit.

Heer, Uw liefde wil ik bezingen,
Uw trouw openlijk verkondigen,
steeds weer,
aan elk geslacht.
Dit zal ik U toezingen:
‘Uw liefde is standvastig,
Uw trouw onwankelbaar als de hemel.’

Ja, ik weet het:
de Heer is groots,
Hij overtreft alle goden.
Alles gebeurt zoals Hij het wil,
in de hemel en op de aarde,
en in de diepste zeeën.

Wie ontzag heeft voor de Heer:
breng Hem dank!
Dank aan de Heer in Sion,
dank aan de Heer in Jeruzalem.

Halleluja, amen, halleluja!

- Amen –

Ps. 90:2; Ps. 98:6-9,10,12-14; Ps. 93; Ps. 95:3-5,6,7,7b; Ps. 97:10a; Ps.99:9; Ps. 102:16,17,26-28 Selah Ps. 103:13-18; Selah Ps. 138:1,2; ps. 69:35-37; Ps. 35:26-28;
Ps. 89:2,3; Ps. 135:5,6,20b,21.




Heer,
hoe kostelijk zijn mij
Uw woorden;
ze zijn als honing
op mijn tong;
ja, zoeter dan honing zijn
Uw woorden.

Ze zijn de lamp
op mijn levenspad;
het licht
dat voor mijn voeten uitgaat.

Uw woorden
zijn mijn richtlijn;
mijn houvast
voor mijn gehele leven.
Ik druk ze dicht aan mijn hart,
en wil er geen vergeten.

Op Uw woord vertrouw ik,
ja, op Uw woord stel ik mijn hoop.
Uw woord is zuiver,
volkomen betrouwbaar,
en zal mij nooit beschamen.

©Rita Klapwijk